Niemand zou me tegenhouden. Niemand. Zoveel plannen, zoveel vuur.
Branden zou ik. Branden!
Geen leven lang, geen jaar, nee, het was de nacht die telde, de nacht en heel misschien de nacht daarna. Zie, ik geloofde er in: het elixer der onsterfelijkheid. Nostalgie en spijt, dat was voor de bijna-doden. Het was het nu dat telde, en nu was de tijd waarin ik alles in lichterlaaie zou zetten. Als een angry young man. Een Lenny Bruce, een Jack Kerouac, of als een James Dean die er zelfs niet voor schroomde om in de bloei van zijn leven zowel zijn auto als zichzelf in de prak te rijden. Of als zomaar een jonge schrijver, een naar sigarenrook en Southern Comfort stinkende dromer met een overvloed aan pretenties, die er van overtuigd is dat juist hij degene is die de wereld op zijn grondvesten zal doen schudden.

[i]Dertig zweepslagen voor iedereen die het ook maar in zijn hoofd haalde mij tegen te houden. En driehonderd vlijmscherpe woorden voor iedereen die mij ook maar enigszins in de weg stond. Al snel daarna zou ik mijn eigen koers trekken. Vergeten en doorgaan. En nooit, maar dan ook nooit meer terugkijken.[/i]

Maar ik stierf. Al veel vroeger dan ik ooit had verwacht. Ik stierf toen bleek dat ik kwetsbaar was. Ik stief bij mijn eerste afwijzing, ik stief toen de liefde van mijn leven de liefde voor heel even bleek te zijn, ik stief toen de gouden kooi van ontastbaarheid waarin ik mijzelf waande niets meer bleek te zijn dan rottend hout en al snel daarna uiteenviel. En tegen de tijd dat ook ik brak had ik mijn grafsteen al zo goed als uitgezocht.

Ik bleek sterfelijk te zijn. Ik bleek vatbaar te zijn voor depressies, angsten. En voor giftige tongen die mij op mijn knieën brachten om het stof te vreten dat zij zelf hadden achtergelaten. Ik bezweek. Ik verloor mijn geloof in de toekomst, maar bovenal verloor ik het vertrouwen in mijzelf.

Help me alstublieft, fluisterde ik soms tegen God. Maar wanneer diezelfde God zich wederom in stilzwijgen hulde, lachte ik slechts en haaste mij naar de dichtsbijzijnde kroeg waarin ik starnakel dronken zelfs de meest gedroogde muurbloem zo ver kreeg om met mij te dansen. Maar die vreugde was kil en somber en ze dreigde mijn ziel te verpletteren als een bom.

Ik was ongelukkig. Geluk was voor de levenden. En ikzelf was zo goed als dood.
Ik was dood, ik kon mijn lijklucht zelfs al ruiken, maar mijn kist was nog altijd leeg. Mijn dood was het best bewaarde geheim dat ik bij mij droeg.

Het is nu juli 2008.
Branden zal ik. Branden!
Geen nacht, geen jaar, maar een leven lang.
Het elixer der onsterfelijkheid bleek slechts een droom, maar in plaats daarvan zal ik mijn eigen droom realiseren.

Als zomaar een jonge schrijver, een naar sigarettenrook en bier ruikende realist die in ieder geval geleerd heeft te overleven.

Categorieën: Overig

7 reacties

Avatar

Sheevasifa · 9 juli 2008 op 00:10

Mooi geschreven, maar vraag me af of je nou 3 keer stief bewust schrijft, of toch echt 3 keer stierf bedoelt.. Gezien je spelling van dichtstbijzijnde ga ik voor het tweede 🙂

Jammer van die foutjes, maar écht mooi geschreven! Dit soort columns toont je ervaring van je 127 vorige columns hier pas echt 🙂

Avatar

KawaSutra · 9 juli 2008 op 00:31

Een echte struggle for life. Schrijven is ongetwijfeld een uitstekende overlevingsstrategie.

Avatar

Troy · 9 juli 2008 op 01:22

Bedankt voor je mooie compliment, Sheevasifa. En nee, ik heb die woorden niet bewust zo geschreven. Ik geloof dat ik een beetje uit mijn doen ben de laatste tijd. Dit gebeurt me normaal gesproken vrijwel nooit. En dat drie keer achtereen 😕

@Kawa: schrijven als vorm van exorcisme is inderdaad nog steeds een wondermiddel, gelukkig. Ook jij bedankt.

Avatar

SIMBA · 9 juli 2008 op 08:30

Slordiger dan anders Troy maar het stukje is er niet minder indringend om.

Avatar

arta · 9 juli 2008 op 09:18

Bij stukjes van deze kwaliteit lees ik gewoon over een tikfoutje heen.
Je hebt een heel mooi onderwerp gekozen, Troy, en dat perfect uitgewerkt!
🙂

Avatar

pally · 9 juli 2008 op 09:51

Indringend, heftig, schreeuwend, zijn de woorden die bij mij opkomen na het lezen van je column, Troy. Met al dat sterven balanceert het op het randje van te veel, maar dat is er tegelijkertijd ook de charme van.

het eind is een prachtig gewone omdraaiing.
Zo lust ik er nog wel een paar van je

groet van Pally, die gewoonlijk rustiger sterft 😀

Avatar

Dees · 9 juli 2008 op 10:25

Ontzettend mooi stukje Troy! Ik vraag me zomaar af waar je over vijf jaar over schrijft. Ik ga wel Jack Kerouac weer eens uit de kast trekken vanavond…

Geef een antwoord