“Paradise,
Caught between the fire and the ice;
No need to think twice;
That’s where I want to be”

Zo klinkt de broze stem van Gerry Beckley, zanger van het illustere trio America, u weet wel, van de grote hit uit 1971, A horse with no name. Ik heb dit liedje toevallig op staan, het is het laatste nummer van een van hun Greatest Hits CD’s. Het nummer is me nog niet eerder opgevallen. Maar wat is het een mooi nummer! Het heeft iets weemoedigs, wat zeg ik, de weemoed druipt er vanaf. Dat is natuurlijk niet zo vreemd, als je over het paradijs zingt. Een plek waar alles volmaakt is, daar kun je slechts van dromen, in een melancholische mijmering.

Aangezien ik zojuist mijn intrek heb genomen in een paradijselijk huisje aan een idyllisch strandje, genaamd “Paradise Beach”, aan de Zuidafrikaanse westkust, is van enige weemoed bij mij geen sprake. Ik bèn immers in “Paradise”. Toch heb ik het liedje tot lijflied voor de periode die wij hier gaan doorbrengen uitgeroepen. Omdat het zo ontiegelijk mooi is.

Ondanks het verblijf in het paradijs, blijkt de kiem van de weemoed hardnekkig. Het is eerst nog gemakkelijk te onderdrukken: “We zijn bijna op de helft van onze tijd hier, we hebben het grootste deel nog voor de boeg.” En wat later: “We hebben nog zes weken te gaan, weet je nog toen we hier net zaten, de tijd is echt voorbij gevlogen.”

Onlangs ook nog: “Goh, nog maar een week. Maar we komen hier wel weer terug. Dit is niet de laatste keer dat we op deze mooie plek zullen zijn. Als we terug in Nederland zijn, maken we een plan!”

En nu kijk ik naar onze gepakte koffers. Ons lijflied klinkt door de speakers. Ik beluister de tekst nog eens goed. Gerry zingt ons toe: “And in the morning summerbreezes will be blowing your way; then in the evening, unbelieving, you’ll be ready to say; that we’re all living here in Paradise.”

Langzaam begint er mij iets te dagen. Ik denk dat ik begrijp wat Gerry bedoelt met “We’re all living here in paradise.” Wij leven allemaal in het paradijs. Natuurlijk, dàt is het! Iedereen creёert zijn eigen paradijs. Of hel, dat kan ook natuurlijk. Paradijs op Paradise Beach, paradijs in Den Haag, paradijs in de Bijlmerbajes, paradijs op kantoor, paradijs in de schuldsanering. Het paradijs zit in je hoofd en niet in externe omstandigheden. Je kunt het altijd met je meedragen. Iedere dag is een feestje. Je moet het alleen willen zìen. Wat een opluchting! Ik neem mijn paradijs straks gewoon mee naar Kaapstad! In mijn rode Opel Astra via de R27. En daarna naar Den Haag. En God mag weten waarheen nog meer.

Maar vandaag ben ik nog even een beetje melancholisch.

Categorieën: Reisverhalen

Avatar

Chris

Chris den Daas

1 reactie

Avatar

Harrie · 17 april 2012 op 14:49

Zolang je je eigen naam niet vergeet komt alles goed Chris.

Geef een antwoord