Als mijn moeder vraagt of ik meega naar iets heel ‘leuks’ dan rinkelen er onmiddellijk alarmbelletjes in mijn hoofd. Zo nam ze me eens mee naar een bloemencorso in het Olympisch Stadion. Wat een hel! Het stadion was nog niet voor de helft gevuld, het was koud op de stenen banken en als klap op de vuurpijl mochten we het gekrijs van presentator Nico (Eigen huis en tuin) aanhoren. Een andere keer nam ze me mee naar een discofeest in een theater. Er waren alleen maar vrouwen. Ze droegen zwierende rokken, dansten op blote voeten in een kring dat deed vermoeden alsof er een offer werd gebracht middels een heidens ritueel.

‘Nee, Wen, dit is écht leuk. We gaan naar een kledingruil-party.’ Toen ik wilde tegensputteren, zei ze; ‘Kom op nou, je zit alleen maar thuis te sippen, het zal je goed doen.’

We belden aan en werden aan de keukentafel gezet. Aan diezelfde tafel zaten twee vrouwen van rond de veertig die zo achter een balie van een macrobiotische winkel waren getrokken. Mijn glas met daarin witte wijn zat onder de vingerafdrukken en toen ik achter mij keek zag ik een gebruikt onderbroekje liggen op de toetsen van een muffe piano.
‘Mén, wat doe ik hier!’ Ik keek mijn moeder aan met een blik als; je hebt het weer voor elkaar, ik ben er opnieuw ingestonken.

Er druppelde meer vrouwen binnen en de huiskamer raakte bezaaid met stapeltjes shirtjes, paren schoenen, onduidelijke jassen, broeken, rokjes en vesten.

Toen ik de WC afkwam, waar ik noodzakelijk maar boven de bril ging hangen en waar ik met toiletpapier de rand van mijn glas schoonwreef, begon het ruilfeest. De vrouw des huizes mocht als eerste haar kleding aanprijzen. Had ik één en al afgrijzen en spijt om aanwezig te zijn bij dit keutelige, morsige, geitenwollensokken gedoe, zo lag ik een half uur later dubbel van het lachen op de plakkende vloer. En niet alleen ik, ook mijn moeder hing voorover te schudden met haar schouders, haar gezicht afgewend van het publiek.

De vrouw des huizes pakte een diaree-bruin-gekleurd T-shirtje. ‘Nou kijk, deze heb ik gekocht in Zuid-Afrika en ik pas het niet meer, het is te klein, maar is het niet een dotje? O ja, je moet hier bij de schouder wel een broche opdoen of een plakkertje, want daar zit een vlek.’

Het volgende lor diende zich aan. Er was een langwerpige plakker van plastic met bloemetjesprint (die je gebruikt om keukenkastjes mee op te leuken) diagonaal over een wit hemdje geplakt. ‘Dit hemdje heb ik toen gedragen in de zomer van 2008. Het zit heel erg lekker. Er zit wel een scheur in, want ik bleef haken achter een saté-prikker dus vandaar de plakker. Maar zo ziet het er eigenlijk veel leuker uit vinden jullie niet?’

Toen ze met laarzen aan kwam, maatje 43 waarvan de ritsen stuk waren, en opperde dat ze nog best te gebruiken waren als je de ritsen gewoon met veiligheidspelden bij elkaar zou houden, ontplofte mijn moeder en ik.
Ons gegier werkte aanstekelijk en uiteindelijk lag iedereen blauw om de plakkers, gaten, vlekken en veiligheidsspelden van deze gepresenteerde smerige ouwe meuk. Er ging uiteindelijk geen kledingstuk meer over de toonbank zonder de opmerking; ‘moet zeker een plakker op?’

Nou mam, dit keer vergeef ik het je dat je me opnieuw meenam naar iets ‘leuks’. Het was ook leuk, per ongeluk.

Categorieën: Gein & Ongein

3 reacties

Ontwikkeling · 27 maart 2010 op 13:19

Goor, plakkerig, ranzig….en toch verschrikkelijk leuk. :hammer:

arta · 27 maart 2010 op 17:53

Beetje bloggy, maar het leest wel lekker…
Volgens mij heeft die moeder van jou gewéldige ideëen!

SIMBA · 28 maart 2010 op 09:03

Wel grappig geschreven, leest lekker.
[quote]ontplofte mijn moeder en ik.[/quote]
Het moet “ontplofteN” zijn, want jullie ontploffen allebei dus meervoud.
[quote]Er druppelde meer vrouwen binnen [/quote]
Hetzelfde, druppeldeN

Geef een antwoord