Het lukt me niet om me los te scheuren van de stoel en achter hem aan te lopen. Liever laat ik hem over aan de verpleging, laat hun hem eerst maar kalmeren. Of vastsnoeren. Of plat spuiten. Of in coma slaan, voor mijn part. Wat moet ik hier nou weer mee? Ik pak mijn telefoon om Joey te appen, maar aarzel. Wat zou ik moeten zeggen? Je grootvader is nu helemaal gek geworden? Dat is niets nieuws. De telefoon gaat ongebruikt weer mijn tas in en zuchtend loop ik alsnog achter de optocht aan.
Als de broeders weglopen, kijk ik de zuster vragend aan.
‘Laten jullie hem zo in de rolstoel zitten?’
‘Ja, mevrouw van Zanten, meer mogen we niet doen.’ Ze ziet mijn onrust en gaat dan verder: ‘hij heeft een licht verdovend middel gekregen. Als hij agressief wordt, mogen we meer doen.’
‘Hij is agressief.’ Ik hoor zelf hoe schril mijn stem klinkt. ‘Je zag toch zelf hoe hij me weg duwde?’
De vrouw haalt haar schouders op en loopt weg.

De kamer is niet groot. Met een eenpersoonsbed, een makkelijke stoel en een klein tafeltje met twee ongemakkelijke stoelen, is hij vol. De rolstoel past nog net tussen het bed en de leunstoel. De kamer lijkt volledig van kleur ontdaan te zijn. Het beddengoed is wit, de leunstoel is heel licht grijs en het tafeltje is zwart. Aan de muur hangt een zwart-wit foto van een brug in Amsterdam. Alleen de gordijnen wijken af. Over een rode ondergrond zijn gele, blauwe en roze bloemen gestrooid. Ze zouden niet misstaan hebben in een burgermanswoning drie hoog achter. Bij mij zouden ze het huis niet inkomen en ook bij mijn vader niet. Daarover waren we het eens geweest, toen we de kamer aan het inrichten waren. Ondanks dat wilde hij er destijds geen cent aan besteden om ze te vervangen.
Zijn schouders zakken naar beneden en zijn handen laten de leuningen los. Langzaam komt er weer kleur in de knokkels. Als hij me aankijkt, zie ik angst in zijn ogen.
‘Ik ken je niet.’ Hij probeert resoluut te zijn, maar zijn stem trilt. Toch klinkt het nog steeds vertrouwd, vijftig jaar roken hebben een onomkeerbaar effect gehad op de stembanden.
Ik ga in de leunstoel zitten en pak zijn hand met mijn beide handen vast.
‘Ik ben het, pa, Rachel, je dochter.’
‘Niet waar,’ zegt hij bruusk en trekt dan zijn hand terug.
Hij schuift wat naar voren in de stoel en probeert zijn voeten op de grond te zetten. Ik houd me in en lach niet om zijn gestuntel.
‘Dat wil niet, pa, daarom ben je nou juist hier.’
Hij kijkt me geïrriteerd aan. ‘Zeg niet steeds pa tegen me. Ik ben je vader niet.’
Mijn mond valt open, ik weet niet wat te zeggen.
‘Hoe is het met Brigit?’ vraagt hij opeens. ‘Ik neem aan dat we een ongeluk hebben gehad. Is alles goed met haar?’
‘Ik ken geen Brigit. Je zat alleen in de auto tijdens het ongeluk.’
Met een plotselinge beweging van zijn hoofd, kijkt hij me aan. Zijn ogen zijn niet gefocust en zijn pupillen schieten van links naar rechts.
‘Ik ben zestien,’ fluistert hij, haast tegen zichzelf. ‘Ik rijd geen auto.’


Lianne

Ik ben een enthousiast schrijfster van fictie. Voel me nog beginnend, schrijf korte verhalen in allerlei genres, maar altijd met aandacht voor de mens achter het verhaal. liannehartman.wordpress.com

4 reacties

Mien · 18 juni 2018 op 14:54

Spannend!

Arta · 18 juni 2018 op 14:59

Jullie sluiten naadloos op elkaar aan, heel mooi!
Je schrijft goed, hoor, jullie allebei!

Nummer 22 · 18 juni 2018 op 18:17

Mooi!

Nachtzuster · 20 juni 2018 op 17:13

Prachtig, naadloos vervolg op de vorige aflevering. Chapeau Lisanne! 🙂

Geef een reactie