Kort na ons gesprek bij herberg de Gevulde Kip ontploft de auto van Peer Metcalf. Hij overleeft het niet.

Een agent van politie verhoort mij. Ik vertel hem over ongeveer alles wat mij van Peer bekend is. Aan het einde van de middag mag ik gaan. Ik loop nog even met Pieter, de kastelein naar Peers kamer. Misschien staan er nog spullen, weet ik veel. De kamer is juist vrijgegeven door de onderzoeksrecherche. We kijken even rond, en gaan weer naar beneden. Ik ga aan de bar zitten, kan wel een drankje gebruiken. De grootste rotzooi is inmiddels opgeruimd. Het raam is provisorisch dichtgespijkerd met een underlayment plaat. Buiten wordt het autowrak afgevoerd, en de straat zuiver gespoten.

Ik neem een slok van mijn drankje. De telefoon gaat over. Pieter is achter bezig, en automatisch neem ik op. Een man vraagt naar Peer Metcalf. Ik vertel hem over wat er afgelopen middag is gebeurd. De man valt even stil. Dan vertelt hij dat hij een afspraak had met Peer. Intuïtief realiseer ik me dat het Peers informant is, waar hij het vlak voor zijn vertrek over had. Ik stel me voor als een collega van Peer, en vraag de man of ik hem asjeblieft kan ontmoeten. Hij geeft aan dat hij nog in het Hilton hotel, in Maltstad is, en mij in de parkeergarage van het hotel zal opwachten. “Tot zo,” zeg ik, “ben onderweg.”

Een klein half uur later stop ik voor het Hilton, parkeer mijn wagen voor het pand, en loop vervolgens naar de parkeergarage. Een man staat te wachten. Hij is zichtbaar zenuwachtig. Ik probeer hem gerust te stellen door te zeggen dat ik de collega van Peer ben. Ik vertel hem verder over de gebeurtenissen van die middag. Over de explosie en het overlijden van mijn oude kameraad. De man twijfelt, kijkt mij wantrouwend aan, en maakt aanstalten om weg te lopen. “Wacht even, laat mij in ieder geval proberen om de klootzak te vinden die dit op zijn geweten heeft,” stel ik voor. “Ja, goeiendag. Ik kan je nog wel meer vertellen, maar als ze zo beginnen is het einde zoek. Ik naai er uit!” De man is duidelijk van slag. Ik vraag hem of hij mij tenminste een aanwijzing kan geven. Hij denkt na, pakt een envelop uit zijn jaszak. “Stan Hagel, die moet je hebben. Hij is het kopstuk van de ‘Crazy Goliaths’ die motorbende uit de stad hier. Maar … dat is echt heavy stuff. Als je daarmee in aanraking komt, speel je met vuur! Peer kan het weten.” Ik kijk hem vragend aan.

Hij gaat verder. “Zelf weten, wordt het jouw feestje. Hier heb ik de foto, waar Peer mee aan de slag wou. Veel succes.” Hij geeft mij de envelop. Ik haal de foto tevoorschijn. Er staat een typische motorman op, vet smerig en rauw. Hij overhandigt een koffertje aan een andere man. Ik herken Willie Plankgas, wethouder van de gemeente Roerdonk. “En die vetklep is Stan Hagel,” legt de man uit. Ik stop de foto terug in de envelop. “Maar ik heb het gehad, ik ben er van tussen,” zegt mijn informant. Hij loopt gehaast naar de dienstingang van de garage. Trapje op, en opent de deur. Ik volg hem op de voet. Plotseling een knal. De man voor mij verstijft, zakt vervolgens als een plumpudding in elkaar, en rolt achterover het trapje af!


Thomas Splinter

Verhalen zijn splinters uit mijn onderbewustzijn.

Geef een reactie