Ik zag mezelf als een geduldig man. Een gastvrij man met liefde voor mens en dier.
Toen mijn Gezel en ik nog aan het begin van alle verrassingen stonden, trokken wij in een oud boerderijtje en konden daarna nooit meer het excuus lanceren dat we ‘geen ruimte’ hadden. Ruimte te over voor eindeloze logeerpartijen: het oude spreekwoord over gasten en vis ligt mij inmiddels na aan het hart, maar het blijkt helaas niet zo algemeen bekend als ik hoopte.
Voor feestjes: “mag het bij jullie? Jullie hebben zo heerlijk de ruimte!”. Na verloop van tijd, druk aan het opruimen na het zoveelste feestje van anderen, begon ik ernstig te twijfelen aan mijn gastvrijheid.

Ruimte te over voor kinderen en dieren, zo is gebleken.
Gezel -door wie ik mij soms genoodzaakt voel de klemtoon anders te leggen- en ik hebben ons aantal in rap tempo verviervoudigd. Niet alleen langs natuurlijke weg, er is ook een tweetal aan komen lopen om niet meer weg te gaan, overigens met onze hartelijke instemming.
En dieren. Hele kuddes viervoeters bevolken inmiddels ons erf, de schuur en het weilandje. Zónder mijn hartelijke instemming.

Was de komst van deze levende have nu maar op een nuchtere manier gegaan. Maar daar scheen altijd gejammer aan te pas te moeten komen. Geen sprake van ‘mag ik een hondje’ met het daaraan gekoppelde verantwoordelijk kiezen voor een bepaald ras. In plaats daarvan op tragische toon vertelde verhalen over een inmiddels al hoog en breed geïnstalleerd dier, dat mij gelukzalig hijgend aankeek vanuit een hondenmand onder de keukentafel.
“Het is sooo sielug, pap, hij heeft geen huis meer. En een man gaf hem een schop en hij is van niemand, écht van niemand”.
Dit bleek uiteindelijk inderdaad zo te zijn.
Tragische verhalen te over: het paard dat anders zéker geslacht zou zijn, de poesjes die nog net op tijd uit klauwen van handen van de verdrinkingsdood zijn gered. Mijn kinderen zijn helden, stuk voor stuk.
Gezel had zich tot nu toe onthouden van inbreng op diergebied.
Tot gisterenmorgen.
Toen ik thuiskwam was zij druk doende in de garage. Mijn motor stond achteloos buiten onder het veel te kleine afdakje.
“Noodopvang”, zo verklaarde zij met tranen in haar ogen. “Een drietal geiten moest écht even bij ons terecht. Zó’n triest verhaal!”
Ik zag mijzelf als een geduldig man…

Categorieën: Liefde

5 reacties

SIMBA · 27 oktober 2007 op 11:15

Fijn om te weten Bernt, als ik een keer moeilijk zit kan ik altijd bij jou terecht 😀

pally · 27 oktober 2007 op 13:42

Hilarische column, leuk geschreven en ja, ondanks je ‘protest’ vind je het volgens mij eigenlijk allemaal nog leuk ook!

groet van Pally

Beryl · 27 oktober 2007 op 14:26

“niet voor ’t gewin, maar voor ’t gezin…” 😀
Topcolumn!

arta · 27 oktober 2007 op 15:58

Leuk geschreven, enne…toch wel gezellig zo’n overbewoonde boerderij, toch? 🙂

Dees · 28 oktober 2007 op 09:20

Sympathieke column. Je kinderen lijken op gezel, waar de klemtoon ook moge liggen? 😀

Geef een antwoord

Avatar plaatshouder