Ik staar in een loop. Een man met een satanische blik in zijn ogen houdt het wapen strak op mij gericht. Exact tussen mijn ogen. Een lichte trilling bij zijn mondhoek, een verbeten blik en een vinger die zich spant. Ondanks het nachtelijke uur verschijnt plotseling de zon in zijn volle glorie. De wereld explodeert voor mijn ogen en valt in kleurrijke scherven uiteen. Ik gil en steek afwerend mijn handen voor mij in de lucht. In een zinloze reflex trek ik mijn hoofd in. Dom en zinloos. Het is immers allemaal al voorbij. Ik stap uit mijn klamme bed en loop naar het raam, schuif het met moeite omhoog en snuif heerlijk frisse zeelucht op. Ik luister ademloos naar het zachte ruizen van de golven diep onder mij en probeer de nare herinnering van mij af te zetten. Bijna was ik er geweest. Nog geen etmaal geleden denderde ik in doodsangst de stenen trappen van mijn hotel in Enkhuizen af, rende via een nooduitgang en blind van angst naar mijn auto. Uit het niets verscheen die engerd. Mijn stommiteit bekocht ik bijna met de dood. Natuurlijk stonden ze mij op te wachten. Ze wisten niet alleen in welk hotel in zat. Ze kenden mijn auto. De complete maffia zat waarschijnlijk achter mij aan. Toen ik het wapen zag, de blik in die ogen, wist dat ik ging sterven en sloegen bij mij de stoppen door. Ik herinner mij vaag de rauwe kreet die uit mijn keel kwam toen ik mij op de man wierp, het vuurwapen dat vlak bij mijn oor afging, de klap waarmee mijn belager op de straatstenen kwam. Hij bleef liggen. Dood? Uit het hotel kwam het groepje mannen rennen dat ik bij mijn kamer had gezien. Ik griste het wapen van de grond, de loop was nog bloedheet, en zette het op een lopen.

Ik rende en rende. Pas toen ik absoluut zeker wist dat ik niet gevolgd werd gunde ik mijzelf een moment rust in een smalle steeg vlakbij de haven. Ik gluurde om de hoek. Bij een café stond een taxi met draaiende motor. De chauffeur toeterde ongeduldig en stapte nijdig uit toen niemand kwam opdagen. Met grote passen liep hij naar de ingang, luide muziek en schelle stemmen klonken toen hij naar binnen verdween. Wat mij bezielde, ik weet het niet, voor ik het wist zat ik achter het stuur en scheurde Enkhuizen uit. Ik drukte op en draaide aan verschillende knoppen tot het zenuwachtige gekrijs van de mobilofoon eindelijk zweeg. Na een wilde rit dumpte ik de taxi op een bospad bij Noordwijkerhout en trok lopend door akkers en bollenvelden richting kust. In Noordwijk boekte ik een hotelkamer. Het was inmiddels vroeg op de morgen. Na een dag slenteren over het strand en een stevige maaltijd besloot ik dat het genoeg was. Ik gunde mij exact één nacht rust en dan zou ik naar Amsterdam gaan. Ik moest tot actie overgaan. De nachtmerrie moest stoppen, al wist ik nog niet hoe.

Ik staar naar de schimmen, schuimkoppen op de golven, diep onder mij. Nog even en het wordt licht. Alweer een nieuwe dag. Hoe kom ik in Amsterdam? Ik heb een revolver en verder niets. Een vreemd gevoel bij mijn hartstreek doet mij ineenkrimpen. Pas na twee volle seconden besef ik wat het is. Mijn mobiele telefoon. Straal vergeten dat ik dat ding nog heb. Aarzelend beantwoord ik de oproep. Nettie! Het is mijn vrouw Nettie! Haar stem klinkt aarzelend, onzeker. Waar ik ben. Ik hou mij op de vlakte. Wat gaat het haar aan, wat interesseert het haar. Ze heeft mij eruit gezet. Na een pijnlijke stilte zegt ze dat het haar spijt. Vraagt of ik terugkom. Ze klinkt vreemd, haar stem is vlak, maar ik ben zo blij als een kind. Ik heb weer een thuis! Ik beloof haar dat ze niet lang op mij hoeft te wachten. Gaat alles nu toch nog goed komen?

Na een licht ontbijt verlaat ik het hotel, werp een laatste blik op mijn kamer op de zevende etage en loop het plaatsje in. Met een schuin oog kijk ik naar een garagebedrijf. Het is er rustig. Een parkeerterrein aan de zijkant staat volgestampt met auto’s. Ik loop er langs. Kijk onrustig om mij heen, trek op de gok een portier open, laat mij op de stoel vallen, voel in een paar krappe vakjes, achter de zonneklep – hebbes – en met trillende vingers steek ik de sleutel in het contactslot. Even later race ik tussen kleurrijke bollenvelden door naar huis. Vlak onder Amsterdam besef ik dat ik de auto moet dumpen. Ik kan hem moeilijk thuis voor de deur zetten. Ik lijk een volleerd crimineel. Zit in mijn tweede gestolen auto, ben gewapend en denk koortsachtig na over een plan hoe ik moet afrekenen met mijn belagers. Een stemmetje in mij zegt dat ik de auto beter nog even kan houden. Ik heb lang geleden geleerd naar stemmetjes te luisteren.

Ik draai de straat in, rijd op mijn hoede langs de huizen van mijn buren. Ik krijg het ineens steenkoud. Dit gaat wel erg makkelijk. Hoe kom ik erbij dat ik zomaar naar huis kan gaan? Denk ik soms dat ik daar veilig ben voor wie naar mij op zoek zijn? Mijn gezicht trekt wit weg. Langzaam rijd ik de straat door en tuur bij mijn eigen huis naar binnen. Geen teken van leven. Ramen gesloten. Gordijnen zijn open maar er is geen beweging te zien. Ik geef gas en ga er vandoor. Onmiddellijk gaat de telefoon. Ik hou het toestel tegen mijn oor. ‘We hebben je vrouw en kind. Doe geen domme dingen. Wacht verdere instructies af.’ Nog voor ik kan reageren is de verbinding verbroken. Ik vloek en stop de auto. De wereld wordt wazig. Ik sla met mijn vuisten op het dashboard. Ze zijn me weer voor geweest. Alweer. Ik heb geen grip op de zaak. Telkens zijn ze me te slim af. Ik beuk met mijn vuisten op mijn hoofd, trek aan mijn haren. Mijn vrouw en kind hebben hier niets mee te maken. Ze moeten mij hebben. Alleen mij. De rest staat er buiten. Ik voel in mijn jaszak en leg het dodelijke koude metalen voorwerp op mijn schoot. Ik staar ernaar. Ik vermoord die schoften! Ik zweer het je.

De telefoon gaat. Ik luister en mompel een bevestiging. Laat het toestel dan gedachteloos vallen. Ik veeg hete tranen uit mijn ogen en van mijn wangen en rijd als een zombie naar de opgegeven locatie. Amsterdam Zuidoost. Een vervallen sloopwijk. Ik parkeer de auto aan het einde van een doodlopende weg en stap uit. Naast mij een troosteloze leegte. Een vlakte bezaaid met brokken beton en staal, de restanten van een gesloopte flat. Voor mij een parkeergarage. Een triest betonnen skelet van pilaren, platen en gebarsten matglas. Het ziet er uit alsof het elk moment als een kaartenhuis in elkaar kan storten. Het beton is op veel plaatsen geblakerd en gescheurd, bewapening steekt wild alle kanten uit. Ik loop naar wat ooit een imposante ingang moet zijn geweest. Nu is het een onheilspellend donker gat. De toegang tot de onderwereld. Wind giert om het betonnen gevaarte. Binnenin klinkt gejoel, gehuil, gejank, gevloek. Luttele passen van de ingang verwijderd sta ik een moment stil, haal omzichtig mijn wapen tevoorschijn en loop met rechte rug verder. Als in duel met een onzichtbare tegenstander.

Ik betreed de betonnen muil en kilte omsluit mij en een penetrante pis- en strontlucht dringt mijn neusgaten binnen. Eerst onderscheid ik slechts vage schimmen, dan zie ik bij de tegenoverliggende muur een soort minivuilnisbelt. Afgedankte banken en stoelen en een berg ongedefinieerd afval. Er tussenin scharrelen tientallen mensen. Junks. Zwervers. Daklozen. Een groepje mannen naast de hoop vuil staart mij met kille blikken aan. Dealers? Territoriumverdedigers? Ik sla rechtsaf, volg de betonnen weg, cirkel door de parkeergarage, zoals jarenlang menig auto moet hebben gedaan. Auto’s op zoek naar een vrije plek. Nu loop ik over het ene na het andere lege parkeerdek, met als enige eindbestemming het dak. Achter mij volgt het gajes. Ik hoor ze niet, maar weet het zonder te hoeven omkijken. Mijn wapen houdt ze nog enigszins op afstand. Niet veel, maar net genoeg.

Dan sta ik plotseling in het felle zonlicht. Drie auto’s zijn op het dak achtergebleven. Uitgebrand. Elk staat in het centrum van zijn eigen geblakerde vlek beton. Zwart en roestbruin metaal, openstaande kofferbakken, ovale bandenloze velgen. Een zweem brandlucht dringt mijn neus binnen. Bij de rand van het parkeerdak sta ik stil. Er is geen balustrade. Ik strek mijn nek en gluur omlaag. Diep onder mij ligt een zwaar gehavende auto op zijn dak. Stukken reling liggen er omheen. Ik draai mij om. Een groep mannen met verwilderd haar en smerige vodden heeft een halve cirkel gevormd. De rij opent zich kort om een man in een spierwit pak door te laten. We kennen elkaar. In een ver verleden heeft hij mij een knietje gegeven. Omdat ik zijn duifje met rust moest laten.
Hij lacht zijn tanden bloot. ‘Zo. Uiteindelijk ontmoeten wij elkaar dan toch.’
‘Ben je niet bang dat je vrouw achter onze geheime afspraakjes komt?’ Met moeite tover ik een grijns om mijn gezicht.
Bewegingloos staart hij mij aan. ‘Het blijkt dat mijn duifje meer geheimen voor mij heeft dan ik heb beseft. Eerst besteelt ze de mond die haar voedt en laat ze op de vlucht. Dan scharrelt ze wat met jou. Veinst berouw als ik haar betrap en in het nauw gedreven belooft ze mij terug te geven wat mij toebehoort.’
‘Ik heb het geld niet. Echt niet. Wat zij ook beweert, het is niet waar.’ Mijn stem klinkt hees en slaat over. ‘Ik kan het allemaal uitleggen!’

‘Zwijg.’ Hij steekt gebiedend zijn hand op. ‘Er valt niets uit te leggen. Fatima dacht slim te zijn, gebruikte jou als bliksemafleider. Ze had succes. Heel even. Vandaag kreeg ik een tip van een loyaal familielid. Fatima denkt het tegenwoordig zonder mij te kunnen stellen. Prima. Ze mag zonder mij verder. In haar eigen graf. Ze is mij nu even ontglipt, maar niet voor lang. Ik ben machtig. Ik heb overal mannetjes. Overal.’
Ik veeg met mijn handpalm het zweet van mijn voorhoofd. ‘Gelukkig maar! Ik bedoel, dat je nu weet dat ik er niets mee te maken heb. Dan kun je mij nu toch gewoon laten gaan? Ik bedoel, ik zou het nooit, maar dan ook nooit in mijn hoofd halen om-‘
‘Zwijg! Met haar reken ik af. Dat staat vast. Maar eerst moet ik het saaie opruimwerk regelen.’ Hij kijkt met een verachtelijke blik naar de verzamelde zwervers en junks die rusteloos op het dak staan te schuifelen. ‘Heren, zoals afgesproken, hij is voor jullie. Veel plezier.’ De man in het wit draait zich om en loopt weg. De kring opent en sluit zich een laatste keer.
‘Stop!’ gil ik. ‘Mijn vrouw en kind. Laat ze met rust. Alsjeblieft.’

Hij draait zich half om. Een verbaasde blik. ‘Wat moet ik met hen? Het gaat mij om jou. Om je met een gerust hart te laten sterven: ze zitten thuis, knus bij de televisie. Mijn telefoontje daarnet was een prikkel, een lokkertje om je hier te krijgen. Ik beloof je, mij zullen ze nooit zien.’ Hij vervolgde zijn weg en zei op kille stem: ‘Heren, vijftien bolletjes voor wie het karwei afmaakt.’
Uit het niets verschenen messen, een bijl, een fietsketting, een verweerde honkbalknuppel. Dreigend liep het twijfelachtige leger randfiguren op mij af. Ik hief dreigend mijn wapen. Eén man met een revolver tegen vijftien, twintig verslaafde zwervers. Gisteren op het strand heb ik mijzelf beloofd deze zaak definitief af te ronden. Nu sta ik met mijn rug naar een afgrond en met voor mij een troep hongerige wolven. Vijftien bolletjes coke is mijn leven nog maar waard. Ik zoek een vluchtweg, een uitweg. Ik zie één smal pad. Geen makkelijk pad, en zeker geen leuk pad. Wel het enige pad. Ik heb te weinig kogels om alle obstakels uit de weg te ruimen. Ik wil geen moordenaar zijn. Deze junks laten zich voor het karretje spannen van de man in het wit die vast en zeker aan het hoofd van een of andere duistere organisatie staat. Een internationale bende. Onuitroeibaar onkruid voor een eenling als ik. En hij heeft me iets beloofd. Voor zover die belofte iets waard is. Maar heb ik een keus?

De meute begint nerveus te worden. Elk van de mannen ruikt de hoofdprijs en de onuitgesproken onderlinge concurrentie hangt als een nest nijdige wespen in de lucht. Mijn tijd is op. Ik pak de revolver met twee handen stevig beet, span de spieren in mijn gestrekte armen tot het uiterste. Ik doe een minieme stap naar achteren, schuifel wat met mijn voeten tot ik zeker weet dat ik op het betonnen randje sta, de laatste smalle drempel voor de diepe afgrond. Dan richt ik bedaard maar nauwkeurig. Tuur langs de loop en ontwaar een lichte aarzeling, zie de onzekerheid in onrustig heen en weer schietende gedrogeerde ogen. Ik haal diep adem, doe een schietgebedje en haal zonder verder na te denken de trekker over. Een oorverdovende knal klinkt en een steekvlam schiet uit de loop tevoorschijn. De groep mannen stuift uit elkaar, ongedeerd, maar wel flink geschrokken. De kogel doorklieft slechts lege lucht, veilig boven de hoofden. Ik spaar er iemands leven mee en dat kost één van de junks vijftien bolletjes. Actie is reactie. De kogel naar voren, de terugslag naar achteren. Ik verzet mijn niet. Neem in gedachten afscheid van vrouw en dochter. De wereld valt in slowmotion onder mij weg. Een passagierstoestel is zojuist van Schiphol opgestegen en vliegt traag over mij heen. Ik spreid mijn armen. Samen zijn wij zo vrij als een vogel.

Motoren bulderen en beton schiet sneller steeds sneller onder het toestel door. Het uitzicht verandert in een soort Madurodam, het toestel zet een ruime wijde bocht naar het Zuidoosten in en maakt langzaam hoogte. Opgelucht haal ik adem. Het is gelukt. Ik ben vrij. Niets kan mij nu nog stoppen, niemand kan mij wat maken. In een baldadige bui trek ik de riem los en laat mijn ogen nadrukkelijk over het lichaam van de passagier naast mij glijden. Wat een lijf! Wat een schoonheid! Ik kijk haar indringend aan. Ze voelt mijn blik en onze ogen ontmoeten elkaar. Schitterende ogen om in te verdrinken. Ze lacht sensueel, slaat haar ogen verlegen neer en niet veel later raken we aan de praat. Ik vertel haar een mooi sprookje. Ben natuurlijk niet zo dom te vertellen dat ik een miezerig baantje achter mij heb gelaten. Want ik ben niet langer Mario, het sloofje van de Osdorpse wasstraat. Nee. Vanaf vandaag ben ik een rijke en minstens zo mysterieuze prins uit een ver land. Haar ogen beginnen te glimmen als ik het haar verklap. Het lukt! Voor het eerst in mijn leven maak ik indruk op een pracht van een vrouw. Onopvallend betast ik de diverse plekken van mijn kleding waar ik onopvallende bundeltjes geld heb weggestopt. Er wacht mij een lang en gelukkig leven zonder zorgen op een klein tropisch eilandje midden in de diepblauwe oceaan. Ik kijk de schoonheid naast mij schattend aan. Het lot heeft mij uitgerekend vandaag deze mooie vrouw toegespeeld. Dat kan geen toeval zijn. Kan ik haar in mijn web strikken? Het is het proberen waard. Haar naam belooft veel goeds. Fatima heet ze. Ze vleit haar hoofd tegen mij aan en legt haar handen in mijn schoot.


Kees

Zelfstandig schrijver en fotograaf

4 reacties

gast · 3 april 2003 op 14:38

Een hele serie is het geworden, je wasstraat-verhaal.
Leuk en spannend om te lezen! Ik heb er van genoten!

Kees · 3 april 2003 op 19:50

Dank je wel, anoniem.

Jeroen · 3 april 2003 op 22:50

En ook ik vond het bijzonder leuk om te lezen! Misschien moeten we er maar een aparte rubriek van maken, zodat we deze ook in de linkerkolom kunnen linken.

Kees · 4 april 2003 op 07:16

Da’s een goed idee, Jeroen!

Geef een reactie