Slingertje
We zijn laat, in een nieuw huis zijn treuzelsmoezen altijd volop voorhanden. In de creche heerst een strak tijdregime. Daarmee ben ik redelijk goed bekend en dus weet ik dat rond deze tijd de kinderen al naar buiten zijn.
We zijn laat, in een nieuw huis zijn treuzelsmoezen altijd volop voorhanden. In de creche heerst een strak tijdregime. Daarmee ben ik redelijk goed bekend en dus weet ik dat rond deze tijd de kinderen al naar buiten zijn.
Mijn schoonmoeder belt ’s ochtends, dat ze er over een uur is. Ze zal onze tuin in gaan om te zien of er iets te werken valt. Want de weegschaal had slecht nieuws en dus moet ze op een dieet van weinig voedsel en veel beweging. Vanwege haar zeer zwakke hart is dik zijn voor haar erg gevaarlijk. Soms denk ik dat ze van de lucht aankomt.
Mijn broer is op bezoek. Buiten aan de tafel achter het huis zitten we ’s avonds als het schemert wat te zitten. Met onze ruggen leunend tegen de muur blikken we automatisch omhoog, de bergtuin in. Het overweldigende groen zuigt onze aandacht op. Het is een natuurlijk podium, waar de toeschouwer zonder het misschien te willen vanzelf naar gaat kijken, maar wij willen wel. Eerst een deel gras, bezaaid met onkruid. Daarna verder omhoog nog meer van het zelfde en dan de steengrens: een machtige bergwand waar het goed klimmen zou zijn, veronderstel ik. Als er geen slangen zaten.
Sommige verhalen spelen zich elke dag opnieuw af. Mijn dagelijkse namiddagverhaal bestaat uit een busritje naar beneden, naar de stad, vanuit ons huis op de berg. In de stad zijn mijn kinderen, die ik op ga halen. De zon schijnt, zwakjes, daarmee mooi passend bij mijn verbleekte energie.
We lopen naar Nina’s school, door een tamelijk doodse wijk. De lucht is grijs, zoals de laatste dagen onafgebroken. Maar het regent niet, voor de afwisseling, en er lijkt wat licht door het grijs heen te schemeren. Bovendien zit er een frisse zwierigheid in de lucht, of misschien wel in mij. Mijn optimisme ontwaakt en ik zeg: “Het wordt vast mooi weer vandaag.”