Niemand zou mijn roman willen lezen
Mijn vader is niet dood, mijn moeder is niet terminaal ziek, mijn zus is niet gehandicapt, ik heb geen broers, mijn vriendin is niet suïcidaal en mijn vrienden zijn niet verslaafd.
Mijn vader is niet dood, mijn moeder is niet terminaal ziek, mijn zus is niet gehandicapt, ik heb geen broers, mijn vriendin is niet suïcidaal en mijn vrienden zijn niet verslaafd.
Ik snap nog steeds niet waarom mensen, tegen beter weten in, toch proberen te bellen in een kroeg als de Blauwe Engel. Het volume van de muziek verschilt niet veel van dat van een houseparty in de RAI of Ahoy, behalve dat het harder staat. Ik kruip in oorschelpen van meisjes om mede te delen dat ik niet zo vaak in de Engel kom, maar nu een uitzondering maakte omdat ik hen naar binnen zag lopen – vrouwen lijken een zesde zintuig voor leugens te hebben.
Ik heb nog nooit een ijsbeer heen en weer zien lopen. Zeker niet door een smalle gang in een Gronings studentenhuis. Een beer heeft het ook niet koud. Ik ben naar de gang gelopen om de thermostaat een paar graden hoger te zetten. Als je de verwarming uit zet, dan kan je nog wel een paar uur ronddwalen terwijl de omgeving afkoelt. Maar nu ik een koude pils in mijn hand neemt, schieten de rillingen over mijn rug. Ik probeer mijn handen te warmen door te bidden.
Het is herfst, misschien zelfs al winter. Regen slaat neer op het oppervlak van de werkelijk. Jonge meisje rennen over de markt, handtas boven hun hoofden. Ze dragen rokjes en met hooguit een panty. Het is al weer bijna zomer. Kleding moet vrijspel geven aan de wind, die eeuwig op zoek is naar onverwijderde haartjes, zodat tepeltjes priemen en jongetjes de drankjes kopen. Eén bier en een Bacardi cola. Een maillot is niet sexy, terwijl ik toch echt in de veronderstelling leef dat mayo overal bij kan. Maar zoals vaak zal ik het wel niet begrijpen. Bij mannen gaat liefde door de maag, bij vrouwen door merg en onthaarde benen.
“Soms moet je dingen gewoon los kunnen laten”, zei hij met een venijn in zijn stem die ik enigszins misplaatst vond. Blijkbaar zat hem iets dwars, maar ik had niet gemerkt dat er iets in de lucht hing dat de stemming tegen werkte. Juist het tegenovergestelde. “Nu is het avond”, vervolgde hij en keek op zijn telefoon. “Het is zelfs al nacht en zitten dus niet meer in de collegebanken.