Jalla Jalla!
“Jalla Jalla”, roept Roosje nu terwijl Brechje als baby steeds: “lachaaim” riep. Ze leek net een klein joods mannetje, kaal met een handje aan de bovenkant van haar hoofdje en dan maar “lachaaim” roepen voordat de melk toeschoot.
“Jalla Jalla”, roept Roosje nu terwijl Brechje als baby steeds: “lachaaim” riep. Ze leek net een klein joods mannetje, kaal met een handje aan de bovenkant van haar hoofdje en dan maar “lachaaim” roepen voordat de melk toeschoot.
Ik hoor je in de gang. Op de plavuizen weerklinken je harde hakken. Gehaast hol je richting garage. Als ik ga huilen, hoor ik je hakken haast nijdig klepperen richting trap.
Het begint mij steeds meer te verontrusten. Mijn hoofd was ooit bijna fijntjes te noemen, alleen naarmate ik ouder word, groeien mijn neus, oren en wallen tot haast wanstaltige grootte
Ooit was ik zo jaloers op zijn exen. Ze waren mooi, avontuurlijk en zelfstandig. Allemaal eigenschappen die ik niet bezit. Ze leken te floreren zonder hem.
Mijn dochter is aan het afkicken. Elke keer na het slapen, bergt ze haar speen op in een doosje. Want spenen zijn om mee te slapen, tenminste dat is nu de afspraak. Dat ze dit later helemaal niet meer mag, heb ik nog niet verteld. Als ik erom vraag, kijkt ze van mij weg, alsof ze mij niet hoort. Vanuit mijn ooghoek zie ik dat ze telkens voor het uitdoen extra stevig lurkt. Gisteren sprak ze, met haar hand angstvallig aan de speen geklonken; nog héél even, dit is de laatste keer.