Troosteloos

In een hoek met mijn Southern Comfort om de zomerse hitte aangenamer in mijn hoofd te laten zinderen, zie ik het meisje op de straathoek met een leger jongens om haar heen. Ze probeert weg te lopen, maar is zo ingesloten dat ze geen kant op kan. Golven van paniek waaien mijn richting op. Met spijt kijk ik naar het fonkelende vocht in mijn glas. Het had zo mooi kunnen zijn, zomer, zuipen van mijn zomerliefde. Met een zucht neem ik afscheid van mijn verlangens en schakel over naar de bezorgde burgerrol.

Overvallen

‘Hé, verkrachten we tegenwoordig niet meer!’ roep ik laaiend de rennende tassendief achterna. ‘Droplul’, mompel ik pissig, terwijl ik overeind probeer te komen.
‘Ik wil alleen maar helpen, dame’, zegt dan een lachende mannelijke karakterkop naast me. Hij is mooi, echt mooi, en ik hoop maar dat ik dat niet hardop gezegd heb. Hij helpt me overeind te komen, en mijn rode gezicht moet echt als boosheid uitgelegd worden. Dat moet!

Taalpurist

Ze loopt besluiteloos door de winkel. “Hoe duur kost deze plant, mevrouw?” vraagt ze aan de verkoopster.
“Contaminatie,” antwoord ik. De vrouw draait zich om naar mij. “Wat zei u?” vraagt ze vriendelijk. “Niks, ik noemde de naam van een plant,” haast ik me te zeggen.

Spiegeltje, spiegeltje aan de wand

Wie ben ik nu eigenlijk? Ben ik wel iemand…of misschien toch Niemand? Vragen die mij, mede dankzij een op zichzelf gerichte maatschappij, zo bezig hielden. In een cultuur van egocentrisch gedrag maakte de grijze massa me verslaafd aan de spiegel. In de honger, mezelf te ontdekken, stond ik er uren verblind in te staren.

Plastic world

Gealarmeerd door een branderig gevoel op mijn schouders gaat een van de oogleden met behulp van de middelvinger van mijn linkerhand een beetje omhoog. Een vriendelijk ogende groene krokodil grijnst me bemoedigend toe om ook het andere oog te openen. Ik voel me midden in een jungle beland. Een grote gele duck vervoert een schaterende peuter naar een stille jongerling op een blauwe dolfijn. Een voetbal ketst op 20 cm zicht op de grond en twee benen landen na een duikvlucht over mijn rug op de plek waar eerst de bal stuiterde. Ik rol van mijn blauw gestippelde luchtbed af en sleep mijn doorluchtigheid aan een oor mee naar het water tussen de dolfijnen en krokodillen.

Tafel

Zie, daar: een tafel. Nee, ik zal niet in detail treden over de vorm, de kleur, het type hout, of andere beschrijvingen. Ik constateer een feit, een tafel: een plank met vier poten. Een tafel waaraan de meeste mensen iedere dag hun dagelijkse honger stillen, en waaraan de meeste mensen, naast het consumeren van een snee brood met gebakken spek en ei, of een vijf gangen diner waarvan er drie goed te eten waren, en waarvan er twee – de enigszins waterig smakende champignonsoep, en de ronduit mislukte tiramisu waarin wederom de verkeerde drank werd gegoten, minder aan te prijzen vielen – nog vele andere occupaties verrichten.

The Stone Roses, en ik

Hier zit ik dan, even weg te dromen achter mijn pc. De cd van ‘The Stone Roses’ staat op, een bewuste keuze. Tijdens de ‘download top 750’ van Veronica ving ik toevallig een van hun nummers op, en het liet mij niet meer los.