Onlangs werd ik bij thuiskomst onaangenaam verrast. Ik vond een rouwkaart. De vader van een van mijn beste vrienden bleek overleden. De volgende dag spraken we elkaar uitgebreid aan de telefoon. Natuurlijk was er verdriet, maar ook was er vrede. ‘We hebben het aan zien komen, en pa was er klaar voor, klaar om naar moe te gaan’. Ik werd uitgenodigd om er de hele dag bij te zijn. Dan kon ik erbij zijn als de koets met paarden zou komen. Dan kon ik thuis afscheid nemen van zijn vader. Dat aanbod nam ik graag aan. Ik vertrok die ochtend om zeven uur richting Salland. Mijn route volgend over de boerenweggetjes reed ik precies om acht uur de oprijlaan en het erf op van de boerderij van de familie van mijn vriend. De koffie was klaar. Handen werden geschud. In de woonkamer lag vader in een prachtige eikenkist. Schoon opgebaard, geschoren, vredig. Die nacht was een veulen geboren. Zijn zus was de hele nacht in touw geweest. Het was een ‘meere’ (merrie), mooi bruin van kleur. Het dier stond trots op z’n poten en dronk bij z’n moeder. Na een half uur kwam een vrachtauto het pad oprijden. Op de aanhanger stond de houten koets. In de wagen zelf stond een span bruine tuigpaarden.

Na het uitladen, optuigen en inspannen sloten de kinderen vaders kist. De kist werd naar buiten gedragen. Het leek dat de kist zwaar woog en dat er hulp geboden was, maar ik wist niet of het gepast was. Immers ik ben geen familie. Ik stelde me ietwat bescheiden op, maar even later bleek dat een beetje hulp toch wel welkom was. Bij het op de koets tillen heb ik ook een handvat vastgepakt. Zwaarder dan ik had verwacht. Daarna met wat klimmen, schuiven en natillen de kist ‘vastgezet’. De bloemen werden op glijvilten op de kist gelegd. De Broer van mijn vriend vroeg of ik zijn stropdas wilde strikken. “Normaal deed pa dat altied”. Natuurlijk wilde ik dat.

We vertrokken. Twee dragers liepen voorop, de koets erachteraan. De oudste zoon en de koetsier op de bok, de andere kinderen in een auto erachteraan, en ik daarachter. De cameraman sloot de rij. Stapvoets de oprijlaan af richting kerk en begraafplaats. Het oneffen wegdek deed de pluimen aan de paardenkoppen flink schudden en af en toe vroeg ik me af of de bloemen wel zouden blijven liggen. Het duurde maar even of er ontstond een flinke rij auto’s en tractoren achter ons. Af en toe werden we ingehaald door een ongeduldig geworden automobilist, twee keer zelfs met onverantwoord grote snelheid. Onze snelheid was net te laag om stationair in de eerste versnelling te kunnen rijden. Ik kreeg behoorlijk last van mijn ‘koppelingsvoet’. Tussen weilanden en bomenlanen slingerde de stoet voorwaarts. Paarden renden opgewonden met ons mee, sommigen hadden een deken om. De weiden waren afwisselend afgezet met prikkeldraad of stroomband.

Voor een spoorwegovergang, gingen we naar rechts, langs een wetering. Midden in het weidse land stond daar langs het spoor een metaalbedrijf. De werf werd gemarkeerd door een groot roestig schip. Miezerige druppels op de voorruit belemmeren me langzaam het zicht. De spoorbaan links naast de weg lag wat hoger, als op een dijk, de weiden rechts lagen wat lager. Rechts van de weg stonden fris groene populieren, links waren het eiken. In mijn achteruitkijkspiegel zag ik de cameraman telkens stoppen voor wat opnamen, om daarna weer met hoge snelheid te volgen. Af en toe haalde hij in, om de stoet weer in een bocht opnemend op te wachten. De spoorbaan boog af naar links, we volgden de wetering. Achterin het veld, op de rand van bos en weide, lag de nieuwbouwwijk van een dorp. Rechts een prachtig wit smeedijzeren toegangshek naar een van de boerderijen. In een van de weilanden een grootse duiventil met aan weerszijden 12 uitvliegopeningen. Een heus meesterstuk van de plaatselijke schrijnwerker. Links van me zag ik op een gevel een hertengewei. Een groep ganzen stond naar de rouwstoet te blazen bij een afrastering. Dichter bij het dorp maakten de eiken plaats voor beuken. Het dichte gebladerte verduisterde het daglicht enigszins. Een vroegrijp tarweveld stond geel in de miezerige regen. Druppels vielen van de halmen, sommige stukken waren platgeslagen door de wind en door het gewicht van de halmen. Op de, nabij de begraafplaats, werd de stoet opgewacht door aan weerszijden van de weg opgestelde dragers. De auto’s werden geparkeerd en we gingen allen te voet verder. Tegemoetkomend verkeer stopte uit respect. In een van de auto’s zat een klein blond meisje met open mond naar de optocht te kijken. De kerkklokken beierden. Op het dak van de kerk zaten 23 postduiven het gebeuren te aanschouwen. De paarden stopten voor de ingang van de kerk. Een kluwen zwart geklede mannen klom op de koets. Een gaf aanwijzingen.

Op een rijbaar werd de kist de kerk in gereden. Rondom de koets stonden diverse belangstellenden het schouwspel te volgen. Eenmaal binnen sloot de koster de deuren tijdelijk. Iedereen moest plots naar het toilet. Ik bleef achterin de kerk zitten, de cameraman stelde zijn apparatuur op en de koster drentelde heen en weer met stoelen, glaasjes water en andere nuttige zaken. In de stille kerk hoorde ik het afrollen van tape helder klinken. De microfoon moest vastgezet. Even later hoorde ik een klik door de luidsprekers. Het werkte. De eerste bezoekers kwamen binnen. Handen werden geschud. Er werd gehuild, gepraat geglimlacht. Bemoedigende schouderklopjes werden gegeven. De cameraman was overal, nu weer zag ik hem op de gaanderij, dan weer schuifelde hij tussen de bezoekers door. Ik zag huilende gezichten, vermoeide gezichten, opbeurende gezichten, schuchtere gezichten, maar vooral boerengezichten. Hardwerkende mensen, rood of gebruind door de zon. De mannen liepen wat gekromd van het zware werk. Ook de kleding was eenvoudig zonder opsmuk. Geen driedelige heren of dames in mantelpakken. Doe maar gewoon was hier het motto. Telkens opnieuw kwamen er mensen binnen waardoor de familie weer moesten gaan staan. Mijn gedachten dwaalden af naar de vader, hoe hij daar lag in z’n kist. Het gezicht vlak bij de glasplaat. Vredig ontslapen zoals dat heet.

Na verloop van tijd begon de kerk vol te lopen. Ik besloot aan te sluiten om het condoleanceregister te tekenen. Ik vulde naam en adres in, maar twijfelde bij de postcode. Ik wist het verdomd niet meer. Ik was ook zo vaak verhuisd de laatste jaren. Niks invullen vond ik ook dom. De opdringende rij achter me deed me besluiten maar zo wat in te vullen. Ik zag wat bekende gezichten van de verjaardagen. Henk met zijn moeder. Waar zou zijn vriendin of misschien inmiddels vrouw zijn? Daar liep Mo, die eigenlijk Mohammed heet met zijn zwangere vrouw Hennie. Alhoewel van Marokkaanse origine, zijn spraak en gedrag was onvervalst Sallands. En daar liepen Berend en Joke met hun eveneens zwangere dochter. Mo hielp zijn vrouw heel galant uit haar jas. Leuke gozer. Het aantal gasten was de 100 inmiddels gepasseerd, ik stopte maar met tellen. Het orgel begon te spelen. Alhoewel ik beslist atheïst ben, riep deze muziek nostalgische herinneringen bij me op. Ik zag mezelf als kind weer naast mijn moeder in de kerk. Een rol pepermunt werd doorgegeven. Ik zag mezelf stiekem achterom kijken of mijn vriendjes er ook waren. Mijn moeder kneep me in mijn been, ik moest stil zijn en voor me kijken.

Het orgel zette in, ik herinnerde me de tekst grotendeels, “de heer zal u steeds gadeslaan, opdat hij in gevaar uw ziel voor ramp bewaar”. Beïnvloed door de sfeer van tranen en herinneringen kreeg ook ik het even te kwaad. Er werden liturgieën uitgedeeld. Mijn tekst bleek niet meer te kloppen. Sinds mijn vertoeven in diaspora was er kennelijk een nieuwe berijming gemaakt. Jammer. De koster sloot de hoge gordijnen naast het preekgestoelte. De uitvaartondernemer nam het woord. Hij kondigde de naam van de predikant aan, en of we na afloop van de dienst mee wilden naar de begraafplaats en aansluitend van de maaltijd gebruik wilden maken. De gemeente ging staan en opnieuw werd het orgel opgestart. We zongen “ik sla mijn ogen op en zie”, de nieuwe versie van het lied wat ik fout had. Ik zong het lied mee. Leuk om na vele jaren weer eens een psalm te zingen.

“Genade zij u, en vrede” begon de predikant zijn betoog. Hij refereerde aan het overlijden moeders de vrouw. Hij refereerde aan hun leven op de boerderij. De gezelligheid, de gastvrijheid, de dieren. Ook refereerde hij aan het laatste jaar van vader, wat zwaar en moeizaam was. Waar de glans van af was, met name door het wegvallen van Moeder. Omdat de predikant een man Gods heet te zijn moet het verhaal uiteindelijk omgebogen worden naar een verhaal met een geestelijke moraal. Ik heb daar niet veel mee op, maar dit was niet het moment me daar tegen af te zetten. Lege woorden, maar hij bedoelde het goed. Hij volgde de route van de mus die zelfs in Gods huis een nest bouwt en de zwaluw die ook op de boerderij aanwezig was, die zijn ‘jongskens’ bij Gods altaren legde. Na het ‘amen’ trok het orgel de gemeenschap opnieuw, zij het met moeite, door het drie coupletten tellend “de heer is mijn herder”. De dragers werden gewenkt en we volgden de baar naar buiten, opnieuw op de koets, naar de begraafplaats. Daar waar moeder ook lag, daar werd ook vader ter aarde besteld.

Terug naar het dorp nam ik de twee zwangere dames en moeder Joke mee in de auto. In het bijgebouw stonden de tafels rijkelijk gedekt. We nuttigden in een goedige sfeer onze koffie en onze broodjes. Na bijgepraat te zijn met de voor mij bekenden ging ik nog even bij mijn vriend zitten. Onze band is warm. Ik was blij dat de uitnodiging me op tijd bereikt had. Hij vertelde dat hij blij was alles zo bewust te hebben kunnen regelen. Van afleggen en kisten, tot scheren en kleden, tot het regelen van de paardenkoets. Ik vond ook dat hij en z’n familie dit op en top hadden geregeld. Hier bleek de warmte van de normaliter stille schuchtere Sallander.

Terug naar huis reed ik langs de IJssel over de slingerende dijk. Net voor Olst zag ik tegen de achtergrond van de oude molen twee prachtige zwart witte ooievaars in de fris groene uiterwaarden fourageren. De navigator stuurde me het Olsterveer op, maar ik had alleen plasticgeld, en daar kun je niets mee op de pont. Ik vervolgde mijn dijkroute richting Deventer. Genietend van de natuur, de kolken, die er zichtbaar liggen als rudimente overblijfselen van dijkdoorbraken uit lang vervlogen tijden, de vogels en de rietkragen. Ik genoot van de muziek. Terwijl ik onder de spoorbrug doorreed en mijn muziek overstemd dreigde te worden door de boven me rijdende trein, hoorde ik nog net de woorden van Lutricia Mc Neal “He was a very warm and gentl person”, waarna Phill Collins heel terecht opmerkte dat het niet het moment was om te dansen met “I can’t dance”. Tot Beyoncé me weer terugbracht tot de werkelijkheid. Nadat ze drie keer hamerde op “to the left, to the left, to the left”, besloot ik rechtsaf te slaan. Life is going on.


7 reacties

Dees · 21 juli 2008 op 19:00

Jee, Joseph, een nieuwe aanwinst op CX. De tekst is veel te lang voor het scherm, een derde hiervan is gangbaarder. Maar daar hoef je je wat mij betreft niks van aan te trekken, want je schrijven loodste me moeiteloos langs zware kisten, postduiven, je kindertijd in, langs je vriend en dat mooie stukje dijk langs de Ijssel over. Een technicality, je afsluiter zou moeten zijn: Life goes on, of heel eventueel life was going on. Maar ach, knise-ear.

Ciao,

Dees

joseph · 21 juli 2008 op 22:33

dank je Dees

SIMBA · 22 juli 2008 op 09:49

Hoewel het een lang stuk is, heb ik het met aandacht gelezen. Een heel ceremonieel gebeuren zeg, ik ken dat niet. Die cameraman…is dat echt??
Te lang voor een column maar zeker niet slecht!

pally · 22 juli 2008 op 14:33

Ja, veel te lang om nog column te kunnen noemen, Joseph. Maar prachtig en vooral, natuurlijk, bijna organisch geschreven. Een korte streekroman in de positieve zin van het woord. :wave:

groet van Pally

joseph · 23 juli 2008 op 15:22

Ja die cameraman was echt

joseph · 23 juli 2008 op 15:24

dank je, je (anderen ook trouwens) bent mild en prettig in je commentaar, Thnx 🙂

KawaSutra · 24 juli 2008 op 00:01

Minutieus heb je de gebeurtenissen beschreven. Eigenlijk prima passend bij een begrafenisritueel, dus de lengte is in dit geval geen bezwaar.

Geef een antwoord