Nadat mijn vader vanmorgen kwaad had opgehangen, was ik ouderwets van slag. Het was hem weer gelukt. Hij had mijn boek ontvangen en daar deugde in zijn ogen helemaal niets van. Mijn vader schaakt van nature met grote woorden. Wanneer je even niet luistert en je kijkt daarna weer naar het bord, dan mis je nog wel eens een steentje.
Dit keer had hij echter geen tactiek. Ja, grote woorden te over, maar er klonk een zekere wanhoop in zijn stem. Misschien had ik hem dan eindelijk op de knieën. Maar al zou dat het geval zijn geweest, dan nog was het de vraag of hij dat zelf ook zo had beleefd? Wat is de waarde van een patstelling? Ik begin altijd zonder Koning. Hij blijft het soort vader van wie je louter zijn eeuwige zoon blijft. Promoveren kan ik slechts lang na zijn dood.

‘Waar ik überhaupt het lef vandaan haalde om een boek te schrijven waarin ik zijn naam noemde?!’ Was een vraag waarop ik mij had voorbereid. Of ‘Waarom ontbraken de bladzijden 37, 38, 79 en 80 uit zijn exemplaar?!’ Ik zag hem op voorhand al helemaal voor me wanneer hij mij zou opbellen. Met die grote rooie kop van hem en die bril, aan dat touwtje, op het puntje van zijn neus. Loerend naar iedere zinsnede die hij gemarkeerd had. Driftig op zoek naar verbaal slaghout. Toegegeven, ik had hem nou eenmaal zelf een massief houten aanleiding daartoe aangereikt, dus kon ik niet meer doen dan wachten op het moment dat hij mij daarmee om de oren ging slaan.

Vanochtend was dat moment daar. Tijdens de eerste 10 minuten van zijn eenzijdige verweer zat ik, net als vroeger, naast hem in de auto op weg naar één van zijn adresjes. Alsof tijd niet bestond werd ik weer gedegradeerd tot zijn memorecorder na één van die misgelopen mysterieuze deals.

En natuurlijk had hij ook het aantal pagina’s op volledigheid gecontroleerd. Hoe naïef was ik om te denken dat ik hem zou kunnen misleiden? Ook al klopten de overgangen perfect. Zo had ik het immers, vooruitlopend op dit gesprek met hem, geassembleerd.
Dat ik hem alles wilde vergeven ontging hem, geheel naar verwachting, volledig. Op minachtende wijze citeerde hij traag hele zinnen uit mijn boek en wachtte tussendoor tergend lang op onderbouwing. Gelaten zocht ik naar woorden welke nooit de juiste zouden zijn. Ondanks het opgetrokken schild, raakten zijn giftige pijlen mij onverwacht diep. Hij had mij betrapt op iets dat ik stiekem, ongemerkt aan hem voorbij wilde laten gaan. Ik had ons dagboek opgeschreven en uitgegeven, zonder dat hij het wist.

Na zijn tirade over verraad en verloochening, scherpte hij de messen voor een definitief slotakkoord. Ik had hem gedwongen tot een ultieme tegenaanval.
Zoals ik toch moest weten, kende hij ook ‘mannetjes’ bij uitgeverijen die hem van een editor konden voorzien. Nadat hij mij verpulverd zou hebben in de rechtszaal, kon ik rekenen op een literaire bestseller van zijn hand. Onder de titel ‘De verloren zoon’ zou hij wederom zijn handen wassen in onschuld en er nog geld aan verdienen ook. Dat was hem namelijk al eerder gelukt na de vermeende vastgoedfraude. Niet hij, maar ik had dus een probleem.
‘Zo helpe mij God! Zum kotzen, jochie!’ waren zijn voorlopig laatste woorden, voordat hij abrupt ophing.

Op mijn rug liggend, starend naar het plafond, besef ik mij na de afgelopen nacht hoe goed promotie voelt. Zonder schroom of twijfel voeg ik de uitgescheurde bladzijden weer toe aan mijn virtuele manuscript.
Na een kort ziekbed, 4 jaar geleden, overleed mijn vader. Van zijn God mocht hij 66 worden. Sinds zijn overlijden vallen alle laatste puzzelstukken op hun plek.
Er dienen zich vlak voor het ontwaken wel vaker naasten aan, maar dat nu juist hij mij vanmorgen moest bellen, hoorde vast nog bij de erfenis

Categorieën: Verhalen

4 reacties

Avatar

Meralixe · 26 juni 2012 op 19:59

Mooi!
Ik dacht dat U over mijn vader gedroomd had. Alles was zo herkenbaar. Dan hebben de Nederlanders nog de naam dat ze opener zijn terwijl wij Vlamingen nog liever zouden dood vallen dan bijvoorbeeld in dit geval, te zeggen dat de zoon iets goed gedaan heeft.
Relaties…Grrrr…

Avatar

sylvia1 · 26 juni 2012 op 22:46

Een column die je een paar keer moet lezen. Met scherpe kantjes die onbehaaglijk voelen, maar ik weet natuurlijk niet wat waar is en wat niet.

Ik zou het niet durven, een (autobiografisch) boek schrijven waarin mijn ouders een prominente rol spelen. Zelfs vier jaar na overlijden niet. Exact om de reden die je hier beschrijft. Lastig. Hoe schrijf je een boek zonder iemand uit je naaste omgeving te kwetsen? Zelfs bij columns zit er al een rem. Zou ik misschien niet moeten doen. Tja.

Avatar

Pierken · 26 juni 2012 op 23:13

Dank voor je reactie en openheid, Sylvia. Ik heb getwijfeld om deze column onder de categorie ‘fictie’ te plaatsen. De rem die jij ervaart is heel herkenbaar, maar die wil ik nu nog zoveel als mogelijk vermijden. De ‘ik-figuur’ staat daarmee de ene keer wel en de andere keer niet los van mij. Waarmee niet gezegd dat ik de lezer bewust wil misleiden. Ik hoop in welk geval dan ook een verhaal te schrijven dat geschreven mag worden, omdat ik bovenstaande strijd om mij heen vaak zie en hoor.

Avatar

Sagita · 28 juni 2012 op 01:31

Een beetje warrige machtsstrijd tussen vader/zoon of iets ruimer opgevat ouder/kind. Misschien is het meer van mannen. Ik persoonlijk vind dat je het als ouder voortreffelijk hebt gedaan als je kinderen je nog tijdens je leven voorbij streven in knapheid, in gedrevenheid. Uitgerust om de nabije toekomst te beheersen. Dat je daar getuige van mag zijn is een geschenk.
Maar goed dit terzijde. Lees het stuk nog eens goed door en vraag je zelf af: Wat wil ik echt vertellen! Voor mijn gevoel zeil je er vaak langs. Verder vind ik dat er te veel mooi schrijverij in zit. ( ja ik ben streng vandaag ) . Je hebt een mooi onderwerp. Blijf dicht bij je zelf en probeer het eenvoudig onder woorden te brengen.
Tot slot [quote]Ik zag hem (…)voor me (…). Met die grote rooie kop van hem en die bril, aan dat touwtje, op het puntje van zijn neus. Loerend naar iedere zinsnede die hij gemarkeerd had.[/quote]
Kijk dit zie ik met je mee!

Geef een antwoord