Ik bezocht in Apeldoorn de Autotechnische school. Op de Loolaan in Apeldoorn leunde de school tegen paleis het Loo aan. Te dicht waarschijnlijk, want hij is inmiddels gesloopt.
Eens sloeg ik er over de kop met een oude kever van een klasgenoot en lag toen letterlijk op koninklijk terrein. Godzijdank had ik nog geen rijbewijs. ‘Je hebt een beetje verstand van auto’s ‘, had mijn vader gezegd, ‘ga daar maar naar toe, dan wordt het misschien toch nog iets’.
In een rustige straat, de Griftstraat, hadden we een op het eerste gezicht geschikt kosthuis gevonden. Het werd bestierd door Meneer en Mevrouw Brandsma. Meneer Brandsma had drie bronnen van inkomsten, waaronder de verhuur van twee kamers, vol pension in mijn geval. De meest in het oog lopende bron was die van paranormaal genezer, zijn praktijk bevond zich in het schuurtje achter het huis. In dat schuurtje sliep hij ook, op zijn behandeltafel.

Douwe, zo heette mijn kostbaas, liep tegen de 50, had een kaal hoofd en een Adolf-snorretje, hij zag er streng uit en was streng. Ook tegen zijn vrouw, die hij meer zag als een huishoudster. Het was een lieve, zorgzame vrouw, die totaal geen tegenwicht kon bieden aan haar autoritaire, veeleisende man. In de Griftstraat woonde een meisje dat altijd haar hondje uitliet op de grasstrook tussen de Grift, niet meer dan een sloot, en de weg voor het huis. Marietje heette ze. Haar houtje-touwtje jas maskeerde haar jonge vormen, een stukje van haar slanke kuiten kon je waarnemen onder de lange rokken die ze meestal droeg. Ze mocht niet binnen komen van Douwe, hij waarschuwde al voor het aan de orde was. ‘Zoals de waard is vertrouwt hij zijn gasten,’ dacht ik. Marietje en ik speelden tafeltennis op de nieuwe ‘Cor du Buy’ tafel, in de tuin achter haar huis. “Pingpong”, mocht ik niet zeggen van haar. Al gauw waren we aan elkaar gewaagd. Toen we beiden hetzelfde balletje voor de neus van haar Spanieltje wilde weggrissen, stonden we erg close en daar, in haar territorium, overviel mij een sensatie die ik niet kende. We speelden gewoon verder, al had ik inmiddels besloten dat Marietje in het geheel niet onaardig was.

Douwe had een blikken capsule ontwikkeld die autoverhuurbedrijven om de wartelmoer van de kilometertellerkabels bevestigden. Daarmee was de teller verzegeld en kon je niet knoeien met de kilometerteller van de huurauto’s. In de zeventiger jaren liep het artikeltje redelijk . Er stond een stansmachine in het schuurtje en in drukke tijden stond het machientje de Godsganselijke dag te stansen. “Kling-boem, kling boem”. Behalve als er een klant kwam, dan ging de deur dicht en brandde er een rood lichtje, de gordijntjes waren altijd al dicht. De betekenis van het lichtje was; ‘Streng Verboden Toegang’. Het waren altijd vrouwen, zijn klanten . Op de meest onlogische momenten kwamen ze achterom en dan bevrijdde hij ze, met zijn paranormale talenten, van hun sluimerende en acute klachten.

Op een mooie dag in het voorjaar nodigde ik Marietje uit om samen naar de bios te gaan. Tijdens de film raakten onze handen elkaar op de gemeenschappelijke leuning en het feit dat zij haar hand niet terugtrok, ervoer ik als een regelrechte verrukking. We eindigden zelfs hand in hand, de snelheid waarmee een en ander zich ontwikkelde was voor die tijd lang niet slecht.
Toen ik later mijn fiets tegen het schuurtje parkeerde zag ik dat het rode lichtje brandde. Ik had het eerst niet gezien, mijn hoofd zat vol tegenstrijdigheden. Vooral de vraag of Marietje een zoen van mij had verwacht, hield me bezig. Een raam van het schuurtje stond open, ik hoefde alleen maar te blijven staan om geluiden te horen. Op een blijkbaar zeer effectief moment in de behandelingscyclus hoorde ik zijn late patiënte geluiden maken die me deden denken aan een hardloopster, die na een uiterste krachtsinspanning en met een laatste ademstoot de finish passeert. “Oh, lekker Douwe, dank je”, ving ik op. Mijn moeder zei het ook wel eens als ik haar rug krabde, maar of die vrouwen daarvoor bij nacht en ontij het schuurtje bezochten…?

Op mijn kamer rookte nog ik een sigaret en vulde een glas water uit de lampetkan. Later kon ik de slaap niet vatten, die dolle Douwe met zijn atlete weerhield me ervan om mijn opwindende plannen met Marietje te visualiseren. Vooral niet toen ik aan zijn vrouw dacht, die eenzaam in haar brede bed moest liggen, enkele meters verderop. De vrouw van een paranormale gigolo.


6 reacties

Meralixe · 5 januari 2012 op 13:21

We eindigden zelfs hand in hand, de snelheid waarmee een en ander zich ontwikkelde was voor die tijd lang niet slecht.

Mooi!!!
:wave:

LouisP · 5 januari 2012 op 18:00

Vooral niet toen ik aan zijn vrouw dacht, die eenzaam in haar brede bed moest liggen, enkele meters verderop.

“Oh, lekker Douwe, dank je”, ving ik op. Mijn moeder zei het ook wel eens als ik haar rug krabde
Ik neem aan dat ze wel jouw naam zei.

Libelle · 6 januari 2012 op 05:34

Haha, goed gevonden. Lekker douwen was misschien ook goed geweest.

arta · 6 januari 2012 op 13:04

Grappig stuk.

pally · 6 januari 2012 op 16:00

Hij is leuk, Libelle. De net ontloken naieve jongen ontroert, buiten het ‘Douwe grapje’ dat ik als mop al kende….( maar dan met Douwe Egberts, geloof ik) 😉

groet van Pally

Mien · 9 januari 2012 op 23:23

Leuke column.

Mien

Geef een antwoord

Avatar plaatshouder