Ik keek Willem aan. Hij zag er wazig uit. Kwam vast door het bier. Ik kan er niet tegen. Maar als ik er genoeg van drink, bekijk ik alles wel anders. Wat had die holbewoner nou gezegd? Iets over Hokusai Bon. Ik schudde mijn hoofd. Kwam ik nou nooit van die Japanse stripfiguur af?
‘Hokusai Bon,’ perste ik eruit. ‘Watzeije nou?’
Willem grinnikte. ‘Jeleerthetaardig jochie. Hij dronk zijn pils leeg. Een geroutineerd gebaar. Hij zette het glas op de bar, klopte me op de schouders en zei: ‘Ikmisdelaatste aflevering van HokusaiBon.’ Nu drong het echt tot me door. Het ging over die stripfiguur, en hij miste de laatste aflevering. Kon je daarmee niet iets op Internet? Bestonden er club van verzamelaars?
Ik knikte. ‘Snap ik. Moet aan te komen zijn.’
‘Wijjedat uitsoeke?’ Willem keek me aan. Er was iets van een grijns op zijn gezicht. Lachte hij me uit?
Kennelijk zag hij wat ik dacht. ‘Hokusai Bon, mijnheld,’ zei hij vertrouwelijk. ‘Kzouhetfijne vinde als jij eraankankomme.’
Daarom grijnsde hij. Het kwam natuurlijk ook door dat bier. Ik zag niet zo scherp meer. Ik zag dat J.P. een gebaar maakte. Er schoven bijna meteen weer een paar glazen bier onze kant uit.
‘Het is geregeld begrijp ik,’ zei J.P. Hij was van zijn kruk gekomen en naast me komen staan.
Ik knikte. Ik dacht aan Hokusai Bon. Ik hoopte dat ik iets vond. En ik dacht waar ik nu in vredenaam naar toe moest. In de auto slapen? ‘Het is geregeld,’ beaamde ik. ‘Even op speurtocht voor Willem.’
‘Mooi,’ zei J.P. ‘Denk je aan dat klusje voor me?’
‘Ik kom wel langs,’ beloofde ik.
‘Wanneer?’
‘Morgen,’ beloofde ik. Ik dacht aan de honderden kilometers heen en weer. Was niet zo verstandig. Ik kon zo ook niet rijden.
J.P. klopte mij op de schouders. ‘Viel wel mee, niet?’
‘Ja,’ zei ik loom. Plotseling leek de binnenkant van ‘t Hoekje een oord waar ik nooit was weggeweest. Vertrouwd. Ik hoorde de biljarters. Ik zag de vrouwen aan de tafel giechelen. Ik zag Willem zijn bier drinken. Ik zag Fat naar de biljarters staren en J.P. naast me staan. ‘Ofiknooit ben weggeweest,’ voegde ik er aan toe. Het koste me moeite het goed te zeggen.
J.P. knikte. ‘Ik heb het gezegd. Ik ga er vandoor. Jij redt het wel.’ Hij vond dat ik me maar moest redden. Wist hij eigenlijk dat ik niet meer woonde waar ik woonde?
Ik keek hem lodderig na terwijl hij rustig door de kroeg liep naar de uitgang.
‘J.P.’ riep Willem hem na terwijl hij een hand opstak. J.P. stak zijn hand op zonder zich om te draaien. Ouwe maatjes die precies wisten wat ze aan elkaar hadden.
Nu ik, besefte ik. Eerst de uitgang, dan de straat. Verder zou ik wel zien. Als ik maar buiten was. Ik stond op. De vloer begon gelijk te golven. Had geen geduld. Ze moesten me ook altijd hebben.
‘Gajedoen?’ vroeg Willem.
‘Naar buiten,’ zei ik.
‘Waarom?’
Dat was een goeie vraag. Ik keek hem dom aan. Ik moest iets, maar ik wist niet meer wat. Willem schoof mijn pilsje dichter naar me toe. ‘Drinkdezejongen nou’sop. Izbebetaald door J.P.’
Ik knikte. ‘En dan moet ik echt gaan.’
‘Jehebaltijd haast,’ klaagde Willem.
Ik knikte. Hij had gelijk. Ik kon het best rustiger aan doen. Maar dan haalde ik de deur nooit meer. Ik greep de pils van J.P. en dronk die in een keer leeg.
‘Jijkanerwatvan,’ zei Willem. Hij grijnsde. Ik wilde iets voor hem doen. Hij mocht me weer. Het was een goeie start. Nou de deur nog.
Ik stond op. De vloer hield zich koest. Ik liet de barkruk los. Willem keek belangstellend toe. Zou ik resistent geworden zijn? Ik geloofde er geen bal van. Ik draaide me naar de biljarters.
‘Waargajeheen?’ vroeg Willem.
‘Naardeauto,’ mompelde ik.
‘Kenniezorije?’
Goeie vraag vond ik. Verdomd goeie vraag. Antwoord: nee. Maar wat moest ik dan bij de auto?
Ik stond stil. Ik keek die kolos bij de bar aan. Hij staarde mij aan. Wat was nou het goeie antwoord? ‘Ik moet toch naar de auto,’ mompelde ik eigenwijs.
Willem knikte. ‘Gajedanrije?’
Hij was bezorgd, drong het met een schok door me heen Dat gaf een eigenaardig gevoel. Maar ik wilde hem eigenijk op een aftand houen.
‘Neu,’ zei ik.
Willem knikte. ‘Gajeindeauto ligge?’
Ik knikte verrast. Dat was ik van plan. Liggen, ogen dicht. Lekker niks meer doen. Me overgeven aan de roes. Ik moest behoorlijk dronken zijn.
‘Nou succes,’ zei Willem. Hij draaide zich naar de bar en greep een nieuwe pils.
Ik knikte. Ik wankelde door de bar heen. Verdomd. De vloer hielp nog mee ook. Ik stootte maar een paar keer gevoelig tegen een stoel of een tafel. Als ik flink met mijn armen zwaaide hielp dat. De ingang kwam traag dichterbij. Ik zag de straat al. Het moest laat zijn, ik zag lantaarns branden.
Plotseling hoorde ik achter me het geroezemoes. Vreemd dat het niet eerder tot me was doorgedrongen. Kwam vast door het bier. Kon ik niet tegen. Kreeg je vreemde verschijnselen. Ik haalde de ingang. De buitenlucht was heerlijk koel. Het was altijd zo warm hier.
Toen stapte ik de stoep op. En tegelijkertijd drong het tot me door dat er iets vreselijks fout zat. Ik keek sullig om me heen. Er stonden wel auto’s. Maar niet die van mij. Ik dacht diep na. Ergens uit de diepte waaide het antwoord omhoog. Mijn auto stond nog bij J.P. Wel iets verderop. Waar? Ik keek door de straat. Wierp een blik in de kroeg. Allemaal donkere gestalten die mijn kant uitkeken. Zwijgend, roerloos. Of zag ik dat verkeerd? Kwam vast van het bier.
Ik begon te lopen, richting auto. Ik wist wel niet precies waar hij stond. Maar ik had de hele nacht. Roes uitslapen moest maar even wachten.


0 reacties

Geef een antwoord