In ‘49 had ik het voorrecht door geboorte meteen gelukkige ingezetene te worden van de metropool. Wij woonden toen in hartje stad, aan de Ankerrui, aan de ingang van de tunnel. Niet zomaar een tunnel, neen: “Den Tunnél, onzen Tunnél. Veur hiel Antwàrpe de konijnepijp, veur de rest van Europa: de Imalso-tunnel”. ’t Was nog den tijd dat die pijp de enige ondergrondse oeververbinding was onder “’t Scheld”. ’t Was den tijd dat er van John Fitzgerald zijne koker nog lang geen sprake was. Naast ons woonde Simonne, zij baatte het café-restaurant uit ‘Chez Simonne – Les Routiers’.
Toen ik een jaar of acht was, heb ik meerdere uren voor ons venster naar “onzen tunnél” staan staren, nooit moe geworden. Gezien hoe vrachtwagens kreunend uit de pijp vanonder de stroom kwamen gereden en kriskras door elkaar voor ons deur of aan de overkant, voor ‘Den Norske SjØmanns-kirken’, stopten. Highway-pitsstop, avant la lettre.
’t Zou nu niet meer mogen, ’t zou nu niet meer kunnen. Als kind was ik gefascineerd door die grote bakken, je weet wel, die bakken die drie maal ‘pssst’ doen vooraleer hun machine zwijgt.

En dan zag ik die binken uitstappen. Ik heb ze gezien, in alle maten, kleuren en gewicht. In de winter goed ingeduffeld, in de zomer vaak in korte broek en … ‘topless’. De cabines waren toen nog geen luxesalons. Voor zover het begrip “airco” in die tijd in onze contreien al was doorgedrongen, werd dat woord in de “geesten des mensen” steevast nog in verband gebracht met Sabena, ondertussen ook al verleden tijd.

Ik heb meerdere stoere blote bovenlijven gezien, vol tekeningetjes. Later vernam ik dat deze prentjes door de grote mensen ‘tatoeages’ werden genoemd. Ik heb toen veel tattoos gezien die ik niet begreep. In die tijd was ik nog niet zo goed in anatomie.
En al die mannen binnen bij Simonne. Haar etablissement was voor mij onbekend terrein, gehuld in een nevel van mysterie. Ik had zo graag binnen eens een kijkje gaan nemen, maar ik mocht niet van ons vader. Echter van één ding was ik toen zeker: “Ik ook, ik ook zou routier worden!”.

Ik beeldde mij reeds in dat ik met mijnen truck terug zou komen van Schotland, je weet wel, dat land dat nog veel verder ligt dan Florenville aan de Semois, daar waar tante Alice en nonkel Jacques woonden. Een paar meter voorbij ons voordeur zou ik mijn machine dan ‘pssst … pssst … pssst’ hebben doen doen. Ik zou dan stiekem even bij Simonne zijn binnen gesprongen. Ons vader kon toch niet altijd op uitkijk staan.

Zoals algemeen geweten, krijgt een Antwerpse metropoliet samen met de moedermelk ook altijd een gezonde portie zelfvertrouwen ingelepeld. Zo ook ik. Maar in het derde leerjaar werd die zelfverzekerdheid zwaar gefnuikt. Toen heeft mijn ego ernstige schade opgelopen. Ik vrees zelfs onomkeerbaar, want tot op heden is het met mij nog steeds niet goed gekomen, ‘k ben er tot op den dag van vandaag nog steeds voor in therapie.

Op een blauwe maandag vroeg de meester ons een half blaadje papier te nemen en op te schrijven wat we wilden worden, later als we groot zouden zijn. Ik moest niet lang nadenken. Ik wist direct wat ik moest opschrijven.
Beetje voorover gebogen over mijn bankske, met mijn linkerhandje mijn blaadje wat afschermend, gelijk ne mens tegenwoordig doet als hij bij bancontact zijn pincode invoert, gaf ik haastig uiting aan mijn diepste kinderwens. Niemand mocht afkijken.

De Jules, pestkopke eerste klasse, had de week voordien nog een inktpot over mijn bank gekapt, mocht eerst zijn blaadje omdraaien. “brandweerman” stond op zijn briefke.
Werd dat manneke door onze meester de hemel in geprezen, niet te geloven. Juleke hier, Juleke daar, moest je erbij geweest zijn, je zou in zijn plaats ambetant geworden zijn.

Dan was het den Danny die zijn papierke mocht omdraaien: “politieman” stond erop. En ook den Danny werd door de meester de hemel ingeprezen. De meester streelde zelfs over zijn bolleke.
Met den Danny had ik het wel minder moeilijk dan met de Jules. Den Danny was zelfs een beetje mijne vriend. Hij was wel wat brut, hij had op de speel-plaats al eens een bal tegen mijn brilleke geshot, maar dat was niet expres, want, om het goed te maken, heb ik van hem toen wel vier zoutjappekes gekregen.

En dan kwam de meester bij mij: “En awel, Henrike, wat wil jij later worden, jongen?” Mijn guitige oogskes, toen had ik die nog, straalden. Ik ging al wat meer voorover zitten, mijn kopke wat dichter bij de meester zijn hand. Ik dacht, als hij den Danny streelt, dan ikke ook, want ik had een krollenkopke en de Danny niet. Fier draaide ik mijn papierke om: “kamjonsjofuer”.
Kreeg ik daar met de snelheid van het licht een uitbrander en een serieuze tits tegen mijne kop. Dat van op die kop kloppen, dat mocht toen nog in dien tijd.

Ik wist niet wat me overkwam. Moest ik een hollander geweest zijn, ik zou gezegd hebben: “Breek nou mijn klomp zeg! Ik begrijp het niet, ik begrijp het niet”.
En tot overmaat van ramp ging de meester nog eens terug naar die flik en dat pompierke en werden de Jules en den Danny nog eens eventjes extra verheven tot in de hoogste regionen.
De speech van Busch, the day after nine-eleven, was hiermee vergeleken klein bier.

Die dag is bepalend geweest voor mijn verdere levensloop. Toen is er iets in mij gekrakt. Het is zelfs ons moeder niet ontgaan. Ik hoor haar drie dagen later nog zeggen tegen ons vader: “Eduard, Wat zou er mis zijn met onze kleine? Zijn oogskes staan zo flets”.
En dan moet ge ook nog weten dat nonkel pater veertien dagen daarvoor nog had gezegd: “Jongen, niet vergeten hé, zilverpapier sparen voor de negerkes in Congo”. En ik maar chocolat eten, tot dat ik er een indigestie van kreeg. Ik wou zo vlug mogelijk met ne volle bak naar ginder.

Ik heb er altijd van gedroomd de baan te mogen doen, internationaal transport, met dertig ton op mijne plateau, mijne truck zes wielen, mijne opligger twaalf, en twee banden in reserve, kunt nooit weten voor wat dat goed is. Verstand op nul, blik op oneindig, cruisecontrole op 90, mijne GPS on “power”.,
En terwijl door mijn woofers “Better be good to me” van TT galmt, een knipoogske van mijne maat aan den andere kant van de baan.
Mijne Droopy van voor op de radiatorrooster gebonden, een kerstboomke op mijn dashboard en een blote griet achter mijne kop tegen de wand van mijn slaapcabine. Door de St. Gotthard … het licht tegemoet.

Op de dag van “En awel, Henrike, wat wil jij later worden?” ging bij mij het licht uit. Mijn grootste kinderwens werd brusk verbrijzeld, ik was op slag een droom en een illusie armer.
Uit armoede ben ik later maar ergens op nen bureau gekropen, ik moest toch iets gaan doen voor mijne kost.

Ben zelfs nooit in het restaurant van Simonne binnengeraakt. Het mens is ondertussen gestorven en haar bistro een zoveelste pitta-zaak geworden.

Moest ik destijds de moed gehad hebben, mijn kinderwens waar gemaakt, was mijn leven waarschijnlijk veel simpeler geweest. Maar in de plaats van dat kerstboomke had ik dan toch liever die griet op mijn dashboard.

Categorieën: Gein & Ongein

2 reacties

Avatar

Li · 10 september 2007 op 22:34

Pfoeh, ik moest me er wel even doorheen worstelen hoor. Het leest toch wel erg buitenlands 😀
Ik heb hier en daar gegniffeld om prachtige woordvondsten en links en rechts gezucht om de vele zijweggetjes.

[quote]Zoals algemeen geweten, krijgt een Antwerpse metropoliet samen met de moedermelk ook altijd een gezonde portie zelfvertrouwen ingelepeld[/quote]

Ik las ingetepeld :oeps:

Li

Avatar

nighthawk · 11 september 2007 op 08:37

Hallo collega Belgiër,

Er staan nog enkele alinea’s teveel heb ik de indruk, wat schrappen en het zou een stuk vlotter doorworstelen. Ook meer rekening houden met het doelpubliek (heb ik tot eigen scha en schande moeten leren). Mijn stukje over Harmonie werd ook niet begrepen en den tunnel, ja, ik weet waar je het over hebt maar dat is aan de andere kant van de Moerdijk wel even anders…

Groeten,

Jan Seurinck

Geef een antwoord