Zondagochtend. Zes uur. Dan half acht en uiteindelijk negen uur. De jongen in bed slaapt nog. Vannacht heeft hij me naar zijn bed gedragen en alle spoken en prinsen vervolgens weggejaagd. Nu schijnt hijzelf in dromenland te zijn; zijn lippen mompelen af en toe nog een onverstaanbaar woord. Zoals het winterweer begin ik gewend aan hem te worden; hoe zwaar hij ademt en zucht, de eeuwige stoppelbaard, hoe hij elke avond weer opnieuw Doornroosje in me losmaakt. Dezelfde jongen maakt zich vandaag kwaad tegen twee ouders die op een bankje bij het speelplein zitten. Hun kindje van anderhalf jaar loopt er onbeschermd rond. Samen met mijn nichtje en neefje help ik haar op de glijbaan. Ze lacht en praat en zingt. Haar ouders ook, hetzij op afstand. Ik hoor woorden vallen als “marginaal” en “opvoeding” en “schande” en “maatschappij” en “mijn ouders ook” in één zin. De jongen zal het nooit leren; dat mensen nu eenmaal mensen zijn en dat niemand ooit de wereld verandert. Achteraf zegt de jongen te vrezen dat zijn kinderen overbeschermd zullen zijn. En dat hij wil dat de broer in Amerika peter wordt van onze eerste zoon. Ik glimlach alleen maar, verbaasd over zoveel woede in één hart.

Nog later praten we over “binnen anderhalf jaar”. En “binnen anderhalf jaar” zullen we vermoedelijk praten over “binnen een tiental jaar” maar goed, onze zielen zijn voor enkele seconden gesust. De jongen wil dat ik tegen dan bij hem kom wonen. Dat ik mijn warmte niet meer in het weekend hoef achter te laten voor een hele week. Ik vertel hem niet dat ik bang ben voor de verloren romantiek van het constant delen van één bed. Dat ik 3000 vierkante meter tuin zal missen en de geur van rozemarijn. Dat ik mijn vader niet alleen kan achterlaten. Het huis met al zijn charmes en gebreken, de enige plek naast het kerkhof die nog aan mijn moeder doet denken, waar alles nog lijkt alsof het gisteren was, zal samen met mij instorten. Het verdriet overspoelt me en de jongen vraagt of ik huil maar ik zeg dat mijn ogen tranen door de koude. Hij gelooft me en ik begin snel over mijn petekind, onze gemeenschappelijke trots en zegepraal.

’s Avonds slaap ik voor de eerste keer in lange tijd weer alleen. De jongen stuurt een berichtje om te zeggen dat hij van me houdt en dat hij me mist en ik stuur terug dat achter elke sterke man een nog sterkere vrouw staat en dat bij ons dat laatste van toepassing is. Niet veel later val ik in slaap zonder hem. Het voelt goed om weer thuis te zijn.


13 reacties

vanlidt · 23 november 2011 op 07:38

Beeldend, onderhoudend en melancholiek. En erg mooi.

Meralixe · 23 november 2011 op 08:54

Zeer mooie column.
Prachtig hoe de eigen gevoelens aan de ene kant zelfstandig willen doorgaan maar aan de andere kant gestuurd worden door de omgeving.
Zo heb ik het althans gelezen. :eh:
Er zijn vele kanten aan het verhaal. Iedereen leest van uit de eigen ervaring. Zeker bij een dergelijk stuk.

Klein minpuntje: Goed nalezen zou enkele foutjes wegwerken maar dit zou dan mischien ook peuzelen aan de sfeer die nu aan het stuk is meegegeven.

Voorbeeld: Twee keer “bed” in de eerste allinia.

En, “Vanlidt” welkom terug van weggeweest!!!

Boukje · 23 november 2011 op 09:56

Mooi en rauw, graag gelezen! 😀

pally · 23 november 2011 op 11:03

Een prachtig stukje, Dashuri, waarin je romantiek en realiteit met elkaar verweeft tot wat het leven is.
Met weemoed en wijsheid en het willen behouden van alles en tegelijk wetend dat dit een verdrietige onmogelijkheid is… :wave:

groet van Pally

LouisP · 23 november 2011 op 11:09

Een prachtig stukje, Dashuri, waarin je romantiek en realiteit met elkaar verweeft tot wat het leven is.
Met weemoed en wijsheid en het willen behouden van alles en tegelijk wetend dat dit een verdrietige onmogelijkheid is…

mooie reactie Pally!
effe nog een wonderschoone zin kwoten, heb ik zin in:
‘Zoals het winterweer begin ik gewend aan hem te worden; hoe zwaar hij ademt en zucht, de eeuwige stoppelbaard, hoe hij elke avond weer opnieuw Doornroosje in me losmaakt.’

Libelle · 23 november 2011 op 11:27

En zo ploegen sterke vrouwen voort, op zoek naar het veredelde zaad, dat hen toekomt.
En hoe schril is het contrast met de zwakke, die slechts vertwijfeld graaien in de koopjesbak bij Zeeman.
Het slaat nergens op, ik weet het, maar je maakt het bij mij los. Sterk!

Bhakje · 23 november 2011 op 14:24

Met stijgende verbazing gelezen. Dit stukje is Kunst met een hoofdletter. :wave:

embee · 23 november 2011 op 15:17

De mooiste reacties zijn volgens mij al door Louis en Pally geschreven Dashuri.
Van mij nog een groot applaus, erg genoten van
je stuk.

Groet van Embee

Marja · 23 november 2011 op 16:45

Een zeer geslaagde column. Graag gelezen.

sylvia1 · 23 november 2011 op 19:11

Doet me denken aan de Romantiek, triest, melancholisch, onbereikbaar, Sehensucht. Mooi.

Mien · 24 november 2011 op 01:52

Mooi.

dokterblues · 24 november 2011 op 19:33

Een grote pluim.

Boukje · 25 november 2011 op 13:54

Nogmaals gelezen en nog steeds heel erg goed.
Wel had ik er een mooiere titel aan gegeven.

Geef een antwoord

Avatar plaatshouder