Die donkere ochtend in februari, ik was nog zo jong.
‘Ik bel de huisarts wel even voor je’ had ik gezegd.
‘Dat is goed kind.’de ernst van je pijn niet realiserend, haast ik naar de telefoon. ‘Goedemorgen mevrouw, ik wil graag een afspraak maken voor mijn vader.’
‘Mag ik zijn geboortedatum?’ klinkt het aan de andere kant van de lijn.
‘Natuurlijk dat is vijftien, zes, negentien-een-en-vijftig.’
‘U wilt een afspraak maken?, nou we zitten vandaag eigenlijk helemaal vol, morgenochtend schikt dat?’
‘Nee mevrouw, mijn vader heeft heel veel pijn.’
‘Wat heeft hij dan?’
‘Nou, hij heeft heel erg kramp in zijn linkerschouder, en zijn rug. Hij ademt ook slecht en hij zweet heel erg.’
‘Hmmm, goed kom dan maar over een uurtje dan heeft de dokter nog wel een gaatje vrij.’
‘Een uur, dat is goed hoor, bedankt.’
‘Prima tot straks.’ Nors hangt de doktersassistente de telefoon op.

Opgelucht dat ik toch nog voor dezelfde dag een afspraak heb kunnen maken, loop ik weer de trap op om je in te lichten. De deur staat op een kiertje en je benauwde ademhaling, klinkt nog helder in mijn oren.

‘Pap?’ fluisterde ik, alsof ik niet wist dat je wakker was.
‘Pap, je hebt over een uur een afspraak bij de dokter, zal ik alvast wat thee zetten?’
‘Nee, dat hoeft niet dankjewel. Kan je wel even mijn rug voor me masseren? Het zit zo vast.’
Gehurkt ga ik achter je zitten op het bed en wrijf mijn handen eerst warm. Aftasten over je rug probeer ik de knoop te vinden, die de pijn in je arm en rug veroorzaakt. Je hoest hard en gorgelt slijm omhoog.
Je baldt je vuist en bonkt op je borstkast, iets daarin belemmerd je ademhaling.
Gerustellend streel ik over je rug.
‘Ga je maar omkleden, dan kan je me straks even mee naar de dokter.’

Nog even achteromkijkend loop ik je kamerdeur uit. Ik hijs me snel in wat kleding die nog over mijn stoel hangen, zodat ik nog even een kopje thee kan zetten. Snel smeer ik een broodje, die ik vervolgens in twee happen achter mijn kiezen druk. Ik leg nog twee boterhammen op een bord en links van je bord zet ik je kopje stomende thee neer. Ik denk dat je dat nog wel lust voordat we naar de huisarts gaan. Ik stap in mijn gympies en roep je van onderaan de trap.

Een keer, geen gehoor.
Nog een keer, nog steeds geen gehoor.

Ik zucht vermoeid en sjok toch maar de trap op. Naarmate ik je slaapkamer nader, word ik overheerst door een zwaar gevoel. Mijn benen maken het mijn lichaam moeilijk nog verder te bewegen. Het moment dat ik weer in de deuropening sta waar ik nog geen 5 minuten geleden uitliep, verstijfd mijn lichaam.

Waarom lig je nog in bed?

‘Pap, we moeten gaan’ fluister ik, deze keer niet wetend of je slaapt of wakker bent.
Langzaam loop ik richting je bed, om daar een beeld van je aan te treffen, die ik nooit meer in mijn leven zal vergeten.
Je gezicht ziet er blauw uit en je ogen zijn weggetrokken. Speeksel sijpelt uit je mond en er zit geen enkele beweging in je lichaam. Ik rammel je heen en weer. Maar dat levert vooralsnog geen beweging op in je grote zware lichaam.
Deze keer hol ik je kamerdeur weer uit, mijn hart bonkt in mijn keel, en ik voel mijn hoofd licht worden.

Mijn vingers toetsen automatisch het drie cijferige alarm nummer.
‘wilt u politie, ambulance of brandweer.’
‘Ambulance’ roep ik al enig overstuur.
‘Mag ik u adres?’ klinkt het weer aan de andere kant van de lijn.
Haastig ratel ik mijn adres op. Ik krijg meteen een andere medewerkster aan de lijn.
‘Mevrouw, de ambulance is onderweg. Kunt u aan de lijn blijven, dan nemen we samen even de situatie door.’

Na mijn verhaal van de ochtend te hebben verteld aan de vrouw aan de andere kant van de lijn, viel ze even stil.
‘Waarom zegt u niks meer?’ mijn vragende stem, klinkt smekend.
Ik was op zoek naar bevestiging. Bevestiging dat alles goed komt met je, dat je niks ernstigs hebt. De vrouw aan de andere kant van de lijn, was de enige die me dat kon geven, maar zij bleef stil.
‘ben je helemaal alleen thuis kind?’ vraagt ze ongerust.

Nog voordat ik ja kan antwoorden rinkelt de deurbel en een viertal mannen in geel/oranje hesjes lopen de woonkamer binnen. Gevolgd door nog een tweetal mannen in het zelfde hesje en een zwart koffertje.
Ze richten hun blikken even op mij en volgen elkaar vervolgens 1 voor 1 de trap op naar boven.

De vijf minuten die volgen, zijn zenuwslopen en lijken wel uren te duren. De buurvrouw zit met betraande ogen op de bank tegenover mij, waneer de mannen in de geel oranje hesjes weer naar beneden komen.
Ze kijken me verslagen aan, en hun hoofden hangen gebogen.

‘Kunnen we misschien je moeder bellen?’
‘Waarom?’
‘Het spijt ons, we konden niks meer voor je vader doen.’
Niks meer doen, niks meer doen, niks meer doen…. De woorden herhalen zich in mijn hoofd…
‘Je vader was al heengegaan, voordat wij waren gearriveerd.’
Heen gegaan, heen gegaan, heen gegaan…ik word belaagd door angst en duizeligheid.
De felle kleuren op het hesje van de man lopen in elkaar over, zijn woorden niet helemaal begrijpend begin ik te huilen. Ik geloof dat dat hoort als je iemand verliest. maar ik voel helemaal niks.

Pas jaren daarna heb ik begrepen en gerealiseerd wat de meneer in het geel oranje hesje mij vertelde.

De engel ‘de doods’ heeft je weggehaald in de 5 minuten dat ik thee voor je ging zetten.
Hij heeft je weggehaald voordat de mannen met de koffertjes je konden terughalen.
Ze konden niks meer voor je doen.
Je was heengegaan.

Je liet krassen op mijn ziel achter, die niet meer zullen helen.


7 reacties

Avatar

arta · 23 januari 2008 op 18:10

Ik vind dit erg mooi beschreven. Je weet jouw emoties van dat moment zó te brengen dat ik het moment meevoel. Knap!

Toch (misschien een beetje ongepast bij een column met deze inhoud) wil ik je wijzen op de vele taal en interpunctiefoutjes. De lezer valt daarover en dat is jammer, want dat doet afbreuk aan de impact van jouw verhaal.

Avatar

adriaantje · 23 januari 2008 op 18:33

Inderdaad, wat heb je dit mooi beschreven. Ik voelde helemaal met je mee en zag het voor me, zo beeldend is het beschreven. Heel erg mooi en ontroerend!

Jammer inderdaad van die taalfoutjes, maar dat komt vast wel goed!

adriaantje

Avatar

KawaSutra · 23 januari 2008 op 19:08

Een indringende column. Je zult er maar voor staan op jonge leeftijd. De laatste zin spreekt boekdelen.

Avatar

Mosje · 24 januari 2008 op 10:08

Wel moedig om een dergelijk stukje hier te plaatsen, maar ik ben absoluut geen liefhebber van persoonlijk-verdriet-verhalen. Dat komt omdat je er als lezer niets mee kunt, behalve begripvol reageren.
Columns en verhaaltjes mogen best persoonlijk zijn en over jezelf gaan, maar je moet van daaruit een stap richting lezer zetten.
Je zou je stukje bijv. een “extra laag” kunnen geven door de gebeurtenissen vanuit een onverwachte invalshoek te beschrijven, waardoor je als lezer denkt: hé, zo had ik er nog nooit tegenaan gekeken.
Hoe dat precies moet is lastig, daar moet je maar eens goed op puzzelen.

Avatar

majnoon · 24 januari 2008 op 13:31

Ik had inderdaad beter op de spelling moeten letten.Ik heb het in een opwelling ingestuurd en niet heel goed nagekeken. Afgezien daarvan ben ik wel blij dat jullie het mooi vinden…(voor degene die het idd mooi vinden)

Bedankt!

Avatar

Mup · 24 januari 2008 op 14:00

Zie uit naar meer van je schrijfsels, idd moedig dit persoonlijke stuk te plaatsen en sterkte,

Groet Mup.

Avatar

pepe · 24 januari 2008 op 19:28

Heftig stuk, knap geschreven over zo’n onderwerp en zo dichtbij jezelf.

Ik kijk uit naar je volgende column

Geef een antwoord