Ik liep door de straten met de hond aan de lijn. Uit de hemel daalde een regen zo zacht en fijn dat die deed denken aan de nevel van een waterval. En de vochtigheid gaf een glans aan alle dingen, aan de daken en gevels van de stad, en het blauwe asfalt, aan afvalemmers en fietsenstandaards.
Na een tijdje brak de zon door. Ook struiken en bomen hadden een eigen schijnsel, alsof ze schoon en vernieuwd waren. Ik liep onbezorgd en met lichte tred en ik dacht aan mijn jeugd. Ik had mijn zekerheden meegekregen die voor iedereen vanzelfsprekend zouden moeten zijn. Ik was opgevoed met veiligheid. Een noodzakelijk fundament om het te redden in het leven. En de veiligheid die ik van mijn moeder had gekregen, die me altijd, als er iets gebeurde, een ongeluk of een ziekte, meteen bij zich nam en me verzekerde dat alles goed zou komen. Het gaat goed, zei ze, die keer toen ik over het fietsstuur dook en mijn pols brak. Het wordt beter, het komt goed, dat weet ik heel zeker. De woorden werden begeleid door haar armen die me vasthielden, door haar stem die warm en veilig was, want zij was volwassen en ze wist gewoon die dingen. En zo was deze veiligheid verankerd in mijn bestaan en mijn hele leven rustte erop.
Maar andere kinderen kregen andere dingen mee. Moeders die zich voor het hoofd sloegen en jammerden: Mijn God, hoe moet dit gaan? En het gejammer leidde tot angst, en de angst leidde ertoe dat de basis verdween onder hun voeten. Daarom zochten ze hun hele leven naar een houvast. En daarom waren er veel losgeslagen kinderen op de wereld.
Ik dacht aan de boerderij aan de rand van het dorp, waar ik was opgegroeid. De stokrozen tegen de muur, de kleine witte kippen die rondliepen in de boomgaard. Een kleine jongen zijn, tussen de bomen in de tuin spelen, zure aalbessen van de struiken plukken, samen met mijn vriendje Bas. En dan, als de dag om was, zonder angst naar huis kunnen gaan. Ontvangen worden als iets unieks, iets geliefds. Alsof ik een gebeurtenis op zichzelf was, en eindelijk naar huis terugkeerde na een lange afwezigheid.
Maar zo is het leven niet voor iedereen. Er zijn kinderen die de deur angstig openen, die ineenkrimpen en naar binnen sluipen, die niet weten wat hun te wachten staat. Die weer naar buiten vluchten, omdat wat ze zien niet om uit te houden is. Zoals een roes, scheldwoorden. Of geweld. Of dat allemaal in een duivelse, verwoestende mengeling. Ik dacht weer aan mijn jeugdvriend Bas. Hij was slechts een gast in zijn moeders huis. Nee, jullie kunnen vandaag hier nu niet binnen spelen, zei ze, het is zulk mooi weer. Nee, niet vandaag, ik ben aan het schoonmaken, ik heb bezoek van een vriendin. Ik heb migraine, jullie moeten maar buiten spelen. En Bas ging, in regen en storm en kou. ’s Avonds sloop hij naar binnen, pakte een stuk brood en droop als een zwerfhond af naar bed. Zodat niemand hem sloeg in dat huis en hij niemand zag dronken wezen. Er was niemand die van hem hield.
Zou het vandaag aan de dag veel anders zijn, mompelde ik. Sommigen beweren dat men de moeder de schuld niet kan geven van de ellende die hun kinderen treft. Maar ben ik het daarmee eens? Het kan voor een belangrijk deel schuld van de moeder zijn. Het kind is aan haar kuren, haar razernij en haar vertwijfeling, haar verbittering en haar gebreken overgeleverd. En ze zijn overgeleverd aan hun vaders uitzichtloosheid, vaders verzuim en hun vaders gebrek aan participatie.
De hond was blijven staan om te ruiken aan een halvolle vuilniszak, die naast de container neer gegooid was. Toen hij klaar was, tilde hij zijn poot op en pieste er tegenaan. We liepen verder, het was inmiddels helemaal droog geworden. Ik loop misschien wat minder snel, dacht ik, maar ik ben ook ouder en wijzer geworden.

5 reacties
Boukje · 25 juni 2011 op 10:46
Natuurlijk zijn het de moeders!
Maar zijn die moeders ook niet het slachtoffer van hun eigen jeugd? Of de vaders, of de schoolmeester, of de armoede, of de oorlog, of de pedofiel, of………
We kunnen iedereen de schuld geven van onze eigen onvolkomendheden.
Ik denk dat de oplossing ligt in vergeven, eerst jezelf dan de rest.
Ik vind het een mooi stukje!
😀
Chris · 25 juni 2011 op 10:58
Top. Mooi beschreven. Er zijn velen die een valse start hebben moeten meemaken. Schuld is overigens een moeilijk begrip, als je zelf zo’n valse start hebt meegemaakt en die angst jouw norm is, hoe goed ben je dan ge-equipeerd om jouw kinderen zonder die angst, in harmonie te laten opgroeien.
Soms zijn de ouders eigenlijk nog de kinderen en vervullen de kinderen al heel snel de ouderrol. Is dat eerlijk? Ik weet het niet.
Iedereen krijgt in dit leven zijn beproevingen, sommigen al heel vroeg, anderen wat later. Bas, Dr. Blues, Chris, Bas’ moeder (ook niet makkelijk met een alcoholist getrouwd te zijn), Bas’ vader (ook niet makkelijk om slaaf van de fles te zijn).
O, nu weet ik het, het leven is rauw en soms gepolijst. Maar altijd eerlijk.
Harrie · 25 juni 2011 op 16:23
Echte troost vind je pas bij bomen in het bos. Ze luisteren en zijn geduldig. Het zijn echte oermoeders. Onvoorwaardelijk trouw en lief.
Meralixe · 26 juni 2011 op 15:30
U bent één van de betere, zo niet, de beste schrijver van Column X.
Ik wacht geduldig op een schrijven met een ander klimaat als ondertoon.
Meralixe · 20 augustus 2015 op 13:22
Schreef ik toen op 26 juni 2011. Docterblues, waar ben je nu?
En, nieuwtjes onder ons, lees ook eens
https://www.columnx.nl/kwart-over-drie/
Lees en droog je tranen… 😥