In ’n abdij stopt ’t ook ooit op ’n dag, of op ‘n nacht. Non Anna schrijft aan haar bazin, bij ‘t kaarslicht, dat zij baalt van ’t kaarsmaaklidmaatschap. Ja, schrijft zij daarbij, ‘k nam al ooit ’n kaars naar mijn slaapplaats, van uw zaak, maar ‘k stak ‘m nooit in brand. D’r kwam toch nooit ’n vlam aan door ‘n vuur. Wat was was, maar ik zag ’t licht, ‘k trap ’t af. Mijn zin dooft uit als ’n nachtkaars. Ooit stopt al ’t licht, allicht. Ooit is daar ’t tijdstip dat al ’t licht uitgaat. Zon, dag, rust dag, hij kuist zijn schop af, wat spanning nam al af, doordat ’t matig stroomt. Ja, als ’t mijn tijd maar duurt, schijn ik uit, want dat was ’t wat ik dacht. Alsof ’t niks kost, ooit vol vaart, gaat ’t door, tot ’t op is.

Droommadam, haar voornaam is mij ontglipt, in haar villa, wordt dan plots zoals buurvrouw in ’n rij, of toch zoals ik of mijn buurman naar zijn vrouw kijkt. Zij is dan zo apart als ‘n vrouw waar nooit mascara of wat van opmaakspul op zat, alsof zij nooit goud aan haar hand had. Zij is dan ook ’n schim, ’n contour, ’n schaduw zoals ’s nachts. Haar labia minora is op afstand ook normaal ’n kruis zoals van haar kuisvrouw waar ’t stof, als dat daar opligt, van opwaait. Zij had ’t vaak van haar schoon lijf, waarin ’n chirurg zijn spuit in spoot, maar nooit had zij ‘t van haar hoofdinhoud. Zong zij nu maar als haar buurvrouw zoals zij dat kon, was knijpend aan ’n waslijn. ‘Fijn toch, mijn was, ‘t wit, ‘t zwart, ‘t bont op ‘n hoop. Dat lag normaal apart, wat lastig was, nu kan ‘t zo, ook al is ‘t nog vuil aan ‘n lijn na ‘n voorwas!’

Haar man is baas van ’n boorplatform. Hij schrijft naar zijn vrouw: ‘Schat, ‘t zwart goud is op, nu kom ik naar huis, voor altijd. Vind jij ’t naar dat jouw arts voortaan zijn praktijk in zijn huis houdt? Of spuit hij ook gratis?’

In mijn straat ’n huis of vijf na mijn huis, juist voorbij ’t park, knipt ’n vrouw haar van haar man maar ook van ’t volk uit mijn straat. Wat vindt zij van ’n daglichtstop voor altijd? Baalt zij daarvan? Daglicht gaat voorop ’n laan uit! ’t Laatst wat ik zag was ’n lantaarn. Dag licht! ’n Man naast zijn labrador wuift haar uit, zijn stok hoog omhoog. ‘Mooi toch, dat ’t licht uitgaat?’ Lamp na lamp gaat uit, ’t schijnt dat ’t nooit nog aan gaat. Zijn buurman staat in zijn tuin, graaft wat, spit wat, zucht wat. Hij bukt, plukt ’n roos. Ik stop dan maar in mijn tuin.


7 reacties

Prlwytskovsky · 27 oktober 2011 op 10:00

Nou zou ik toch zeggen: LouiP.

Even los van dat verdwaalde e ‘tje is het een knappe story. :duimop:

sylvia1 · 27 oktober 2011 op 14:52

Raadselachtig stukje, niet alleen vanwege het eloze schrijven. [quote]Alsof ’t niks kost, ooit vol vaart, gaat ’t door, tot ’t op is. [/quote] Volgens mij heel associatief en vrij geschreven, dat vind ik er mooi aan.

Prlwytskovsky · 27 oktober 2011 op 17:35

@Sylvia1: volgens mij staat er toch een ‘knijpend’ e ‘tje tussen. 😉

[quote]maar als haar buurvrouw zoals zij dat kon, was knijpend aan ’n waslijn ….[/quote]

sylvia1 · 28 oktober 2011 op 06:46

Ah ja, inderdaad P, niet gezien!
Dan denk ik ook dat ie van LouisP is.
(sorry Louis 😀 )

LouisP · 28 oktober 2011 op 07:58

tja, als er e’s in zitten, dan zal ‘t wel van louipke zijn zekers…
maar ‘k vind ‘t wel een goed stukske!

Mien · 28 oktober 2011 op 12:51

Zeker en vast LouisP.

Ferrara · 28 oktober 2011 op 20:01

Nou ik twijfel. Louis? Of toch een van onze andere Belgische vrienden. Meralixe?

De maand is bijna om…zo nieuwsgierig.

Geef een antwoord