Met een groepje meiden was ik op trip in het binnenland van Suriname. Bij onze groep waren twee buitenstaanders toegevoegd, zodat we het verplichte minimum aantal van tien vormden. Een zeer klein en iel, zich op de achtergrond houdend mannetje en zijn vrouw met ongeveer hetzelfde profiel, maar dan wat meer op de voorgrond tredend. Ik schatte ze eind 30. Onderweg maakten we kennis met elkaar. Er leek niets aan de hand te zijn, totdat de vrouw met gedrag op de proppen kwam, waaraan we ons ergerden. Na een pittige wandeling in de stromende regen kwamen we aan op een plek waar gezwommen kon worden. Haar man stond binnen mum van tijd klaar in zijn zwembroek. Nu zag je pas echt goed hoe iel en bleek hij was. “Wat??!”, bulderde zijn vrouw, “Ga je met dìt weer zwemmen?” Toen haar man onzeker een bevestigend knikje gaf, keerde ze hem enigszins beledigd haar rug toe. De man aarzelde even, maar kleedde zich vervolgens toch maar weer aan.

Tijdens een gesprek bij het avondeten haalde de vrouw opeens fel uit over het feit of we nou wel of niet malariatabletten hadden moeten slikken. Het meisje die vertelde dat ze het bij de GGD gecheckt had, kapte ze bruut af door te zeggen dat zij haar informatie van het Tropeninstituut had, en dat ze het daar wel beter wisten dan bij de GGD.

Vlak na het eten gingen de twee naar bed. Ze hadden hun eigen kamer in het huis waar we met z’n allen sliepen. Wij bleven nog een lange tijd natafelen, en lieten ons negatief uit over het gedrag van de vrouw. Toen wij een paar uur later giechelend naar onze kamer gingen, heerste er een kampsfeer, mij herinnerend aan de tijd dat ik groep 8 van de basisschool afsloot. Het was pikkedonker, er was geen stroom en onze zaklampen waren kwijt. We maakten enge geluiden om elkaar bang te maken. Toen we plots geklop op het raam van onze kamer hoorden, concludeerden we dat dit onze medereizigster was, die klaar stond om zich op ons te wreken.

Voor we het wisten beraamden we een moord op haar. Het plan was als volgt: op het moment dat we de volgende ochtend op een berg naar de zonsopgang zouden gaan kijken, zou een van ons de geheime code ‘wat een mooie zonsòndergang’ zeggen, waarna een ander onze medereizigster een fataal duwtje zou geven.

We waren vreselijk gemeen aan het praten. We fantaseerden dat haar man de tijd van zijn leven zou krijgen in Suriname. De kinderen zouden vast en zeker bij hun peetouders terecht kunnen. Nadat ik beweerd had dat met mijn aansprakelijkheidsverzekering het stoffelijk overschot kosteloos naar Nederland vervoerd kon worden, werd ik als de ideale persoon aangewezen om ‘per ongeluk’ het zetje te geven.

Van binnen voelde ik mij intens gemeen. Hoe kon ik nou zo over mensen praten? Hoe kinderachtig konden we zijn? Om het voor mijzelf goed te kunnen maken, trok ik de volgende conclusie: Ik doe slecht. Ik voel me daarover slecht. Dus eigenlijk ben ik goed.

Hoe kan het dat je iets doet waarvan je duidelijk voelt dat het slecht is? Waarom konden wij hier om lachen? Een groep meiden met gezond verstand, werkend op sociaal gebied, die tot dit soort gedachten kunnen komen, en het nog leuk vinden ook. Als wij zo kunnen zijn, zal een ander ongetwijfeld net zo, of erger kunnen zijn.

Ik ben blij dat er toch iets in mij zit waardoor ik aanvoelde dat ik slecht aan het praten was. Wat is dat gevoel en waar komt dat vandaan? Wat als je dat gevoel nou niet hebt, en dus niet geremd wordt? Dan zou je toch zo dat duwtje geven? Zou dit gevoel het enige levensgrote verschil maken tussen een moordenaar en mij?

Schuldbewust vroeg ik de volgende ochtend tijdens onze wandeling bergopwaarts of ze van ons wakker geworden waren. De vrouw antwoordde dat ze prima hadden geslapen. De man keek echter bedenkelijk. Aangekomen op de ideale plek om de zonsopgang te bekijken, maakte onze gids van ons groepje meiden een foto. Vervolgens beval de vrouw haar man ook een foto van haar te maken. Ze drukte de camera in zijn handen en ging kordaat klaarstaan op het randje van de berg. De man keek schichtig onze kant op, waarna er een brede grijns op zijn gezicht ontstond. “Eén stapje naar achteren, schat…”


8 reacties

schoevers · 25 april 2007 op 07:17

Suus, een prachtverhaal.
Zo’n stel in een reisgroep is bijna standaard. Na start en hoopvol middenstuk van de column, dacht ik even dat het verhaal zou uitgaan als een nachtkaars….en toen kwam de uitsmijter! Heel leuk.

DriekOplopers · 25 april 2007 op 08:35

Inderdaad, zoals Schoevers ook al zei: zo’n stel zit er altijd wel bij.

Goed verhaal!

Driek

SIMBA · 25 april 2007 op 08:44

Leuk verhaal!
[quote]Ik doe slecht.
Ik voel me daarover slecht. Dus eigenlijk ben ik goed.[/quote]

😆

delta75 · 25 april 2007 op 14:41

hahaha! wat een afsluiter zeg.
Ja ik ken wel een paar van zulke stelletjes. WAlgelijk zo een vrouw. Jammer voor de mannetjes.

arta · 25 april 2007 op 15:11

😆
Leuk geschreven!

Dees · 25 april 2007 op 19:22

Hahaha, erg leuk. 😀

Goed geschreven!

pally · 26 april 2007 op 19:20

Heel leuk verhaal met veel humor, maar daaronder de verontrusting dat mensen in een groep soms tot een bepaald gedrag komen.
goeie uitsmijter.

groet van Pally

KawaSutra · 26 april 2007 op 22:10

Leuk geschreven met een onverwacht einde. En ja, een griezelige gedachte als je er goed bij stil staat. Gelukkig weten we in ons hart precies wat wel en niet kan.

Geef een antwoord

Avatar plaatshouder