Het is weekend en Kees mag weer naar oma en opa. Dit keer zonder zijn broer. Waarom weet Kees niet, meestal gaat zijn broer mee. Wat hij wel weet is dat mama weer ziek is. Papa is er zelfs voor terug geroepen van zijn werk. Het komt de laatste tijd steeds vaker voor. Kees vindt het maar niks. Weer een heel weekend opgesloten bij opa en oma. Met zijn broer is dat nog wel leuk. Ze timmeren dan in het schuurtje van opa houten zwaarden. Met de zwaarden spelen ze dan Floris de ridder. Dat doet Kees het liefste. Zijn broer speelt altijd Sindala de tovenaar en Kees speelt Floris. Met een oude handdoek of laken om de schouders geknoopt, wanen ze zich koene ridders uit de middeleeuwen. Maar helaas, dit weekend is zijn broer er niet bij.

Gelukkig is het redelijk weer en kan Kees in ieder geval naar buiten. Op pad met een glazen potje en een blaadje groen erin. Lieveheersbeestjes vangen. Die zitten op de rode prikstruiken. Prikstruiken die in de hele buurt als scheiding dienen van de kleine voortuintjes. Al snel heeft Kees zijn potje vol. Trots laat ie het jampotje aan oma zien. Maar oma heeft geen tijd voor Kees. Zij is veel te druk met de zaterdagpoets. Het huis moet schoon. In oma’s huis gelden de regels van reinheid, rust en regelmaat. En opa, waar is opa? Die dut wat in zijn stoel. Ook daar kan Kees helemaal niets mee. De verveling slaat al gauw toe. Nog een uurtje en dan is het gelukkig etenstijd. Dan mag hij zijn handen weer wassen en netjes aan tafel zitten. Met mes en vork eten, zwijgzaam, want praten wordt aan tafel niet gedaan.

Kees heeft vandaag een vervelende kou gevat, hij hoest behoorlijk. Daar weet oma wel raad mee. Op tijd naar bed, maar niet nadat de borst is ingewreven met een flinke laag dampo. Nu nog een flanellen lap om de borst en dan stopt oma hem stevig tussen de gesteven lakens en onder een wollen deken. Kees krijgt amper adem, en dat is niet alleen van de verkoudheid. Wat verlangt hij naar zijn eigen bedje. Het stapelbed op de jongenskamer. En naar zijn broer, die altijd een eng verhaal vertelt voor het slapen gaan. Een verhaal dat steevast eindigt met het eng zwaaien van zijn broer’s arm langs zijn bed. Daar heeft Kees altijd een broertje dood aan. Maar zijn broer kan het plagen niet laten. Hij is niet voor niets een grote broer.

Zal Kees vanavond weer eng dromen? Hij weet het niet. Hij is bang van wel. Wordt het weer de grote witte lege ruimten droom, met onmetelijk licht en leegheid? Of droomt Kees weer van de lagere school tegenover oma en opa. Waar hij stiekem op het dak kruipt, maar er niet meer vanaf durft omdat rond de school enge honden lopen met bekken vol grote tanden. De honden laten gevaarlijk hun tanden zien telkens als hij van het dak wil kruipen. Of droomt hij van de wolf in de slaapkamer die met zijn tanden het witte vlees van zijn arm afstroopt? Bonkend met zijn hoofd schudt Kees zichzelf in slaap. Morgen is het zondag. Weer een trieste eenzame dag waarbij Kees zijn familie moet missen, zijn zus en broers, zijn papa en mama.

De zondag is vandaag zonnig en vraagt zoals iedere zondag om zondagse kleren. Dat betekent oppassen wat je doet en zeker niet te heftig spelen. Zondagse kleren mogen absoluut niet vies worden. Zeker niet bij oma en opa. Vanmiddag gaan ze op bezoek bij een zus van oma. Die woont om de hoek. Er komen nog meer oude mensen. Kees weet wat er komen gaat en vreest nu al voor de middag. Maar hij ontkomt er niet aan. Het thee- en koffiekransje, inclusief mariakoekjesdip is nog maar amper gestart of oma vertelt aan iedereen hoe mooi Keesje zingen kan. Dwepend en doordringend vraagt ze Kees te zingen.

“Ga maar op tafel staan Keesje, je kunt het, toe maar.” Hij heeft geen keus en wordt in de sterke armen van de zwager van zijn oma op de tafel geplant. Het moet een vreemd gezicht zijn, denkt Kees. Gênant ook. Hij ziet zichzelf staan als klein jongetje midden op tafel in zondagse kleren, met blauwe ogen en blonde krullen en kwijlende oudjes om hem heen. Maar Kees laat zich niet kennen. Hij weet wat er van hem verwacht wordt. Uit volle borst zet hij in: “Oma’tje lief, blijf alstublieft. Heel lang bij ons, net zo lang als u leeft. U hoort bij mij, u bent van mij. Niemand als ik die zo’n oma’tje heeft.”

Applaus volgt. Kees krijgt een kleur. Hij weet niet goed of hij dit nu leuk vindt of niet. Maar in ieder geval is er aandacht. Zou hier de liefde voor het podium bij Kees geboren zijn? Kees weet het niet. Wat hij wel weet is dat er onmiddellijk een toegift moet volgen. Luidkeels zet hij in: “Mama …, je bent de liefste van de hele wereld. Mama, de allerliefste van de hele wereld. Later, wanneer ik ga trouwen. Zal ik een huisje gaan bouwen. Als je dan soms alleen zult zijn, kom dan bij mij in huis. Mama, de liefste van de wereld ben jij. Oh, lieve mama, je bent en blijft altijd een voorbeeld voor mij.” Snikkend vliegt Keesje van tafel. Dit keer komt het allemaal te dicht bij. Mama is ziek. En Keesje wil eigenlijk het liefst van al bij mama zijn.

Categorieën: Verhalen

Mien

Bewonder luidruchtig en verwonder in stilte

6 reacties

Nachtzuster · 15 november 2013 op 12:18

Mien, ik weet niet zo goed wat ik hier mee moet. Het leest alsof het een hoofdstuk is uit een jeugdboek. Of een opstel. Maar wellicht heb je er diepere bedoelingen mee die ik niet zie.
Ik vraag mij ook af of dit dezelfde Kees is als uit ‘Tehuis’? Die heb ik ademloos gelezen en dat had ik bij deze niet.

Mien · 15 november 2013 op 12:45

Bedankt voor je reactie. Kees is dezelfde Kees. Alleen is ie in dit verhaal wat jonger. Dat verklaart mogelijk de andere stijl waarin het geschreven is. Overigens niet bewust gedaan.

Yfs · 15 november 2013 op 15:13

Hoewel anders geschreven dan anders, ontdekte ik toch een typscch ‘Mien woordspelletje’ in “Daar heeft Kees een broertje dood aan’. Ik stoor me aan de titel en hoe deze is geschreven ( of is het ook een woordspelletje?) Bovendien vind ik de titel het verhaal niet dekken. Ik vermoed (denk ik) hoe je dit verhaal neer hebt willen zetten, maar het komt niet binnen bij me. En daardoor raakte de zin “mama is ziek’ die wellicht als genadeklap was bedoeld, me ook niet echt. Sorry! 😉

    Mien · 15 november 2013 op 17:43

    Bedankt voor je reactie Yfs. Dit keer geen woordspelingen. De titel verwijst naar het lied en dekt weldegelijk de lading. Ben wel benieuwd naar je vermoedens. Kan ik misschien nog iets van leren. Dus kom maar op. Mama is ziek is niet bedoeld als genadeklap. Het is slechts een droevige constatering in het verhaal.

arta · 16 november 2013 op 12:33

Je roept met dit stuk een herinnering op van toen ik een jaar of tien geleden in het ziekenhuis lag en mijn oudste bij oma was. Hij had het fijn, oma was lief, het ging goed… Tot de avond vóór ik naar huis mocht mijn moeder belde met een ontroostbaar kind. ‘Ja, het is hier fijn, oma is echt lief, het gaat goed… Maar ik wil weer gewoon doen’, snikte hij.

Mijn hart brak opnieuw een beetje bij het lezen van jouw stuk.
Mooi.

    Mien · 16 november 2013 op 23:08

    Family affairs leiden soms tot tranen. Soms van vreugde en soms van verdriet.
    Dank voor je reactie en dat mijn schrijven iets bij je los maakt.

Geef een reactie

Avatar plaatshouder