Zij keek naar zijn starre gezicht dat als een gebeeldhouwd gesteente naar het televisiescherm zat te staren.. De contouren van zijn zachte gelaat vertoonde verdrietige sporen van het niet herkennen van de voorbijgaande beelden die de televisie hem lieten zien. Weer geen bekende gezichten. Gelaten lieten de joden zich in de wachtende treinen duwen en stompen door de Duitsers op weg naar de vernietigingskampen. Ooit hoopte hij zijn moeder en zijn broers te zien. Ooit. Maar elk jaar weer zat hij als genageld voor de buis en was er niet weg te slaan, de video stond op een ander kanaal wanneer er bij een andere zender ook oorlogsdocumentaires werden uitgezonden. Hij wilde niets missen. Zijn speurtochten langs de kampen en de musea waren voor niets geweest, maar zijn verdriet om zijn geliefde moeder en broers wonnen het zelfs van de brief die het Rode Kruis op haar verzoek had gestuurd dat zij waren omgekomen in Sobibor en Auschwitz. Dat wist hij nu wel, maar de levende beelden die hij elk jaar weer zag wilde hem die hoop nog geven dat hij een glimp kon opvangen wat ooit zijn familie was geweest. Al was het maar het instappen van zijn moeder, al was het maar het uitzwaaien naar haar toen zij zich nog eenmaal huilend omdraaide naar die kleine jongen die zwart en vuil en met gescheurde kleren achter het hek zijn kleine handje optilde om huilend zijn moeder te roepen dat hij meewilde. Een klap van een Duitser was het antwoord en iemand uit Rotterdam siste hem toe “Hou je bek anders moet je ook mee, kop houwe nou!” Vol schrik hield hij op met huilen en keek de Duitser aan die hem geslagen had. Die gaf hem een bemoedigende knipoog. Later zou hij beseffen dat diezelfde Duitser hem wilde sparen voor het vernietigingskamp.

Hij had ternauwernood de oorlog overleefd, als enige van zijn familie, samen met een tante die hij niet kende. Zij ving hem na de oorlog op en bracht hem groot. Het gemis van zijn moeder kon zij nimmer goed maken, ook haar verdriet ging ten onder aan al het leed dat zij had gezien en meegemaakt.

En nu weer met die herdenking op 4 mei zat hij weer met de knokkels op de rand van de stoel als een robot te kijken en te luisteren naar al wat langs kwam aan oorlogsdocumentatie. In al die jaren dat zij getrouwd waren hadden zij al zoveel gedaan om erachter te komen waar zijn moeder en zijn broers en vader naar toe gedeporteerd waren en waar zij vermoord waren. Gedood kwam in zijn woordenboek niet voor. Het was zuivere moord. Hij als kleine jongen zijn moeder uitzwaaiende en zijn broers en vader een knuffel gevende, het waren nachtmerries die zo vaak terugkwamen dat hij ervoor in therapie ging. Maar de pijn en het verdriet van die kleine jongen bleef diep binnen in hem branden als een nooit dovende fakkel.

Zij keek haar man triest aan. De tranen in zijn ogen waren elk jaar hetzelfde alleen het werden er minder, het verdriet bleef maar de pijn was nu te dragen. Met een diepe zucht leunde hij naar achter in de stoel en mompelde “Weer niks”. “Nee, weer niks”, bedacht zij. Het zou ook nooit iets worden, alles was al geweest. Alles wist hij al. Alleen dat kleine sprankje hoop dat hij ooit een bekende zou zien op al die oude films uit de kampen gaf hem elk jaar één dag verdriet en één dag hoop.

“Wil je nog koffie?”, vroeg zij zacht terwijl zij hem over zijn stoppelbaard aaide. “Ja doe maar”, knikte hij voor zich uit en hij draaide zich naar zijn vrouw, keek haar met betraande ogen aan en voordat zij wist wat er gebeurde snikte hij het ineens uit. Zijn hoofd verborg hij in haar schoot terwijl zij op de rand van de stoel ging zitten. Het enige wat zij kon doen was hem over zijn hoofd aaien als een klein kind.

Wat zat dit diep. Voor hen die deze weg nooit gegaan zijn is het door het leven lopen met zo een zware tas op je rug als kleine jongen een zware last die haast niet te tillen is op dit soort van dagen die als een mokerslag weer beelden bij je naar binnen haalt die je liever nimmer zou willen zien, laat staan zelf meemaken.

Zij kuste zijn tranen terwijl zij zelf mee zat te huilen, zijn verdriet was haar verdriet. En het begrip over wat er in hem omging begreep zij maar al te goed. Want ook zij had in de oorlog familie af moeten staan aan de beulen van de oorlog.
Alleen: wat wist men eigenlijk van al die duizenden zigeuners die ook vermoord en vergast waren?


klapdoos

Gewoon een Amsterdamse vrouw die met een vrouw getrouwd is, ziek is, zodanig dat de neerwaartse spiraal steeds verder zakt. maar een kniesoor die daarop let. Ik lach graag, heb genoeg traantjes gelaten om mijn ziekte en nu is het tijd om via mijn nieuwe boek eens door te gaan met uit het leven te halen wat er te halen valt, zeker in een crisistijd is het de kunst om toch vrolijk te blijven. Mijn motto is dan ook: Een dag niet gelachen is zeker een dag niet geleefd.

8 reacties

arta · 22 september 2009 op 12:58

Kippenvel…

lisa-marie · 22 september 2009 op 13:50

rillingen,kippenvel en ontroering bij het lezen.
petje af :wave:

SIMBA · 22 september 2009 op 14:11

Ik kon het niet droog houden….

DreamOn · 22 september 2009 op 15:39

Tjonge, wat heftig zeg.

Het doet me een beetje denken aan het mooiste boek dat ik in jaren heb gelezen: “Haar naam was Sarah” een echte aanrader, volgens mij niet niet meer in de top 10 in de nederlandse boekhandels.

innerchild53 · 22 september 2009 op 20:24

Een emotioneel, schitterend, hartbrekend, gevoelig en waargebeurd verhaal. Wat vreselijk dat de vrouw als zigeunerin ook haar familie heeft verloren en inderdaad, veel mensen weten niet dat er ook veel zigeuners zijn vermoord.
Peace :wave:

Momera · 22 september 2009 op 21:58

Wat een leed en zo mooi over dit leed geschreven. Complimenten *veegt tranen weg*

Marley_jane · 23 september 2009 op 04:25

😥
Heel mooi. Prachtig geschreven.

pally · 23 september 2009 op 22:18

Mooi en gevoelig neergezet, Leny! :wave:

groet van pally

Geef een antwoord