Het is donker, een gammel spotje aan het plafond verlicht de aftandse bank. Tom en Matthijs zitten onderuit gezakt. In de schaduw bewegen figuren, ze dansen schokkerig, de muziek staat hard; het ruikt er naar rook en bier. Panisch kijk ik om me heen, mijn hartslag gaat tekeer in mijn borstkas. ‘Waar is Brigit?’ vraag ik aan een vage gestalte die langs me heen schuift. Ik klamp willekeurig mensen aan, geërgerd rukken ze zich los. De deur achter de geïmproviseerde bar leidt naar een binnenplaats, ik baan me een weg door de hossende benauwde massa, en grijp naar de hendel. Op slot! ‘Wie heeft er een sleutel?’ schreeuw ik.

‘De sleutel, waar is de sleutel…’ Ik word wakker van mijn eigen stem. Althans, een schor gekraai. Mijn oogleden lijken wel aan elkaar gelijmd, en met moeite krijg ik ze omhoog. Door mijn oogharen zie ik het witte laken, netjes over de wollen deken gevouwen. Zo deed mijn oma het altijd. Gesteven lakens strak ingestopt onder het matras, als een baby ingebakerd. Zo lag mijn zusje ook altijd in de box, ingezwachteld, handjes weggestopt in het windsel.
Shit, waar ben ik? Wat was dat net? Een droom of een herinnering…
Langzaam komt alles weer terug; ik ben nog steeds in het ziekenhuis. Mijn stem klinkt raar, en de droom was geen droom. Het voelde echt.
Mijn blik glijdt door de kamer. Die vrouw, Rachel, zit in de leunstoel. Ze staart naar een klein roze hoesje.
‘Hallo…’ zeg ik aarzelend.
Ze kijkt op. Haar ogen worden groot, haar mond hangt een stukje open.
‘Pa…’
Ze staat op en als in slow motion loopt ze naar mijn bed. Haar hand voelt warm. Het ziet er raar uit. Mijn hand is die van een oude man, die van haar van een jonge vrouw. In mijn hoofd gebeurt er iets. Een gevoel van vervreemding, onwerkelijk. Niks lijkt op wat ik ken; heel akelig. Tranen wellen op in mijn ogen, en ik heb de energie niet om het vocht weg te vegen. Rachel kijkt me vol mededogen aan. Haar blik is zacht. Zoals mama kan kijken. Soms dan. Als ze niet boos op me is.
‘Wat is er gebeurd?’ vraagt ze. Van heel dichtbij zie ik de fijne lijntjes in haar gezicht, schaduwen onder haar ogen. De make-up is gehaast aangebracht. Slordig.
‘Jij hebt helemaal geen make-up nodig,’ zeg ik.
Ze kijkt me verwonderd aan. Haar getekende wenkbrauwen fronsen.
‘Jeez Pa, moet dat nu,’ zegt ze en trekt haar hand terug uit de mijne.
‘Je moet hier weg, er is iets aan de hand. Het klopt voor geen meter,’ zegt ze korzelig.
Dat doet Ma ook altijd. Het ene moment poeslief, het andere kriegel. Ik haat dat.
‘Eens. Hoe ben ik hier gekomen? Ik was aan het bellen met mijn ouders, maar die hebben opeens een ander nummer, en Brigit die werd razend toen ik haar opbelde. Dat snap ik wel, want het was midden in de nacht. Wat doe ik in hemelsnaam hier!’ ratel ik aan een stuk door. Ik ben ondertussen rechtop gaan zitten, en heb mijn rechterbeen met moeite onder de strakke lakens vandaan gewurmd; de linker doet het niet.
‘Kan jij mijn ouders niet bellen? Ik moet hier weg.’ vervolg ik en pak haar hand stevig vast.
Rachel kijkt me strak aan, een klein adertje bij haar slaap beweegt, als een kleine onderhuidse slang. Ze zit stijf en strak gespannen op mijn bed; dan lijkt het of ze leegloopt. Als een plompe komma zakt ze in, haar hand voelt zo slap als een vaatdoek. ‘Papa, alsjeblieft, niet weer,’ zegt ze. ‘Wat doen ze hier met jou?’
Nu klinkt ze wanhopig. Ze lijkt wel heel veel op Mama, en terwijl ik dat denk voel ik weer die snijdende pijn in mijn hoofd.
Terwijl ik mijn ogen stijf dicht knijp, zak ik onderuit. Als in een soort film zie ik beelden voorbij schieten; versneld. Alles is grijs, alleen bloemen, heel veel bloemen… huilende mensen. Die vrouw. Ik ken die vrouw!

Ik open mijn ogen en kijk naar Rachel. ‘Ik ken jou…’ zeg ik vertwijfeld. ‘We zijn familie.’
‘Dat mag ik hopen, ja. Anders snap ik bij god niet wat ik hier doe!’
Tegen wil en dank moet ik lachen. Het is eigenlijk helemaal niet grappig, eerder absurd. Een slapstick in kleur.
‘Pa, er klopt hier iets niet. Voor een verzorgingstehuis is het té goed beveiligd, en volgens mij spuiten ze je plat,’ zegt ze. ‘Wat is het laatste dat je je kunt herinneren?’
Ze kijkt me angstig aan, en ik slik mijn lach in. ‘Ik heb Brigit gebeld. Ze hing me op. Daarna niets.’
‘Wanneer was dat?’
‘Dezelfde dag dat ik hier ben beland, of eerder nacht..’ zeg ik kortaf.
‘Pa, je bent hier al maanden! Hoe kan jij trouwens Brigit bellen? Die woont waarschijnlijk allang niet meer waar ze vroeger woonde…’
‘Wel. Ik weet haar nummer uit mijn hoofd, en ze nam op.’
Rachel staat in gedachten verzonken op, loopt heen en weer door de kamer, stopt abrupt en zegt: ‘We gaan haar nú bellen!’


Esther Suzanna

Ik schrijf omdat ik het niet laten kan op https://www.facebook.com/esthersuzanna/ en http://suzannaesther.nl/

7 reacties

Nummer 22 · 30 juli 2018 op 07:52

Mooi geschreven vanuit de ander. Na 2x lezen begreep ik dit verhaal. ‘Reset’, precies!

Klasse! Estther Suzanna. Mooi begin van deze week.

    Esther Suzanna · 30 juli 2018 op 11:57

    Dank je wel N22! 🙂 De vraag is of je het verhaal (nu al) helemaal ‘door’ hebt.. Wel een mooi compliment. 🙂

Mien · 2 augustus 2018 op 23:28

Gefeliciteerd met de Column van de Maand. Zeg maar nee, krijg je er twee. 😉

G.van Stipdonk · 3 augustus 2018 op 17:16

Van harte, voor deze terechte ‘dubbel’. En zoals ze hier zeggen: “Goa dúr!”

Lianne · 4 augustus 2018 op 12:52

Gaaf, Es!

Thomas Splinter · 4 augustus 2018 op 16:33

Chapeau dames. Keep up the good work!

Geef een reactie