Blind date

Één voor één laat ik pa’s lege jeneverflessen door de buis glijden. Ik vind het eigenlijk een beetje gênant als ze met veel kabaal de bodem van de glasbak bereiken en ik kijk schichtig om me heen. Na ieder bezoekje thuis, meestal in het weekend, neem ik de weekopbrengst van zijn hobby mee, zodat mams hem niet teveel lastige vragen stelt.

Jullie zijn allemaal sukkels

Ik vond het zwaar ironisch. Gister in het NOS-journaal en vandaag (dat wil zeggen dertien juli) in de Volkskrant wordt bericht over wat te doen om een agent te beledigen. Zeg geen ‘fuck you’ tegen hem of haar en zorg dat je je middelvinger in een andere windrichting stuurt. Maar er werd niet gesproken over lul of sukkel. Terwijl dat toch echt de woorden waren waarom mijn vriend een nacht in de cel heeft gezeten.

Verkeersagent De Lul

Als zelfs op de kleuterschool je klasgenootjes al niet met je wilden spelen. Als op de MAVO niemand verkering met je wilde. Als je van de schaakvereniging werd weggestuurd omdat je na een verloren partijtje de schaakstukken driftig door het verenigingslokaal smeet. Dat zit er maar één ding op. Je gaat bij de politie. Neenee, niet bij de serieuze politie zoals de narcoticabrigade of de moordafdeling, nee, dan kom je terecht bij de onderste regionen van de Prinsemarij. De verkeerspolitie.

De natte doos en de racist

“Neenee meneer de rechter, uw straf betekent niets voor mij. Het kan wel zo wezen dat ik door die politieman werd betrapt met die gestolen pannenset onder mijn jas, maar ik laat de zaak onderzoeken door een onafhankelijk bureau. Neenee meneer de cipier, ik ga niet mee naar uw gevangenis.” Een heel bijzondere redenering, vindt u niet, waarde lezer? Als je wangedrag is beoordeeld door een bevoegde instantie, veeg je daar je reet mee af, en verlang je met een stalen smoelwerk opeens een onderzoek door een zogeheten onafhankelijk bureau. Die truc is bedacht door een stel rotzooiende deelraadsleden in Amsterdam Zuidoost.

Hoerensloep

“Goedemiddag meneer,” zei ik tegen de bestuurder van de SUV die voor het stoplicht stond te wachten, “maakt u deel uit van het milieu?” De breedgeschouderde engerd keek me aan met een vragende blik. “U ziet er zo misdadig uit,” vervolgde ik, “en dan bedoel ik niet uw vervuilende P.C. Hooft-tractor, maar uw twijfelachtige combinatie van mooie kleren, tatoeages op uw armen en een matje in uw nek. Om van die snol in die bontjas achterin maar niet te spreken.”
Bijna stapte hij uit. Maar gelukkig, het stoplicht sprong op groen, en achter hem barstte een hoop geclaxonneer los, dus hij reed toch maar weg met zijn hoerensloep. Jazeker, beste lezer, opnieuw was ik door het oog van de naald gekropen.