Zouden er mollen en eikels bestaan met claustrofobie? Ik ben een eikel maar niet bang voor kleine ruimtes. Met behulp van een scheerspiegel durf ik in mijn eigen gat te kijken. Zoals een vrouw die alleen thuis is, zeg maar. Met alles aan kant. Hoeveel keer kwam ik uit de kast? Waarschijnlijk evenveel keer dan dat ik erin ben gekropen. Zou het anders zijn, heb ik een helm met lampje nodig om dit te schrijven. Ben ik eigenlijk bang ín kleine ruimtes?

Zonder angst en mede ondersteund door een diep verlangen van minimaal één kant bevruchtte ik mijn vriendin. Een goede daad, die liep als een trein, met het gevolg op rolletjes. Het kind was vroeg, waar we later achterkwamen.
Al snel weet de jongen wat hij wel of niet wil worden. Piloot en astronaut staan niet op zijn verlanglijstje. Archeoloog en gynaecoloog wel.

Het toeval wil dat mijn rechtse buurman iemand kent die in mijnen gewerkt heeft. In het ruime bejaardentehuis woont een kompel op rust op de bovenste verdieping. Zijn deur staat altijd open.
Buurman Frankie, zoon van de onbekende Kalmthoutse verzetsstrijdster Leen, kent wel meer mensen. Het grootste gedeelte van die kennissen zijn vrouwen. Breed in de heupen en met lange wijde rokken aan. Zoals zijn moeder droeg bij haar ondergrondse praktijken. Kort voor het einde van de oorlog moest zij stoppen met onderduiken door druk van bovenaf.

De uitgeputte mijnwerker met pensioen komt benauwd en futloos over. Desondanks haalt hij herinneringen op uit een diep grijs verleden en geeft ons in geuren en kleuren een indruk van zijn mijnwerk en kwalen. Het gaat op en af met de gezondheid. Iets ernstigs met het darmstelsel en de luchtpijp.
Een stem met een echo vraagt enkele keren of we zijn gele kanarie, pikhouwelen en mijnplaatjes in zwart/wit willen zien. In het donkere dakappartement ruikt het naar mislukte scheikundeproeven. De kwalijke lucht is bijna zichtbaar, zeker in het op één na kleinste kamertje waar onze gastheer het op één na grootste gedeelte van een etmaal is te vinden.

Zoonlief vraagt meteen naar de helm met het lampje en of meneer ooit fossielen is tegengekomen. Jammer, de helm met het lampje heeft hij niet. Nooit gehad. Hij werkte enkel in dagdienst. Aan fossielen geen gebrek. Veel te veel naar zijn zin weerklinkt het meermaals.
De kanarie blijkt dood. Met gemengde gevoelens verlaten we het appartement van de ondertussen blauw aangelopen mijnwerker in rust en lopen via de trap naar beneden. De lift is buiten gebruik. De traphal wordt schaars verlicht door een peertje, dat knippert en schommelt.

Liften die buiten gebruik zijn. Een vroegere kameraad wist daar wel raad mee. Koning van de schacht noemde hij zich. Liftmonteur, zwaar geschapen en vroeger mijn beste maat. Door dik en dun, deze mannetjesputter. Zijn toenmalige vriendin was bijzonder goed ontwikkeld en leek Spaans. Ze heette Joanna maar wij noemden haar Jo. Jo had het niet breed en twee nadelen. Ze sprak met volle mond en kon die niet dichthouden. Ze kon niets binnenhouden. Uiteindelijk gingen wij uit elkaar. De liftmonteur en ik. Hij was een late, net als ik, maar wel sneller. Zo vertelde de donkerharige vriendin het toch. Met volle mond.
Bij Jo heb ik mezelf vaak moeten inhouden. Aan grote ruimtes denken, dat hielp. En aan nonnen. Nonnen met grote ruimtes. Nonnen die vol afschuw keken. En enigszins teleurgesteld.

Teleurgesteld is mijn zoon regelmatig. Door zijn vader. Wanneer hij weer een vraag heeft waarop ik niet kan antwoorden, omdat er een woord in voorkomt dat ik niet goed kan uitspreken. Hoe heet de bestuurder van een metrotrein? Wat is de naam van de grootste haai die twee miljoen jaren geleden is uitgestorven? Waarom is mijn overbuurvrouw Barbara een non geworden?
Heilige Barbara noem ik haar. Schijnheilig wanneer ze vol afschuw naar me kijkt als mijn terriër in haar tuintje molshopen uitgraaft of wanneer ik me naakt voor het raam sta te scheren.

Wat is dat geluid in de kast? Ben ik wel alleen thuis? Hoor ik nu steunen, kreunen of een zucht van verlichting? Behalve Michelle, een behoorlijk opgeblazen lid uit het Franse verzet, een pompje en een helm met lampje ligt er niets in de kast.
Misschien dat die rol prikkeldraad er iets mee te maken heeft?
Aan de overkant zie ik twee lichtjes. Zou mijn non alleen thuis zijn? Twee flakkerende lichtjes.
Van een kaars.


7 reacties

Avatar

SIMBA · 14 april 2012 op 09:05

[quote]Jammer, de helm met het lampje heeft hij niet. Nooit gehad. Hij werkte enkel in dagdienst.[/quote] 😀 😀 😀

Avatar

Mien · 14 april 2012 op 11:03

Mooie column Louis!

@SIMBA:
In dat geval zullen we dan maar een [b][u][url=http://www.mercadolatino.biz/GenPics/020281-0600.jpg]kaarsje[/url][/u][/b] branden! 😀

Koempel Mien

Avatar

Libelle · 14 april 2012 op 13:05

Met volle mond, dat krijg je van die snelle. Wat gebeurd er veel in dit verhaal! Soms moest ik even stoppen met gulzig lezen om mijn brein erbij te houden. Ben je een nonnenplager. Bij jij de nozem?

Avatar

Libelle · 14 april 2012 op 13:08

Te snel, laatste zinnen; “Ben je een nonnenplager?
Ben jij de nozem?”

Avatar

pally · 14 april 2012 op 22:34

Je houdt het thema op zich wel vast, Louis, maar dwaalt ook steeds tussendoor andere kanten op in details, naar mijn smaak iets te veel, waardoor
het geheel wat rommelig overkomt. Die Jo is erg grappig, natuurlijk, maar wat doet ze in dit stukje?
De inleiding vind ik juist weer heel goed.

groet van Pally

Avatar

arta · 17 april 2012 op 12:49

Mooi verhaal, Louis, ik heb het idee dat ik, zeker het begin en Jo, al eens gelezen heb, klopt dat?

Avatar

Harrie · 17 april 2012 op 15:10

Ik kom dagelijks zwarte gaten tegen. Daarvan geraak je pas in paniek. Daar helpt ook geen kaars meer tegen. Mooi verhaaltje LouisP.

Geef een antwoord