Zonnestraal nadert de opgekropte op terrasjes zittende levensgenieters die zich allen realiseren en doen wat Hij ons ooit verboden zou hebben. Allen zich toch door de hemel gezegend voelend door de warmte die ervandaan komt. Met een wierrokende pluimende sigaret in de ene en wit geschuimd goudgeel wijwater in de andere hand proosten de alledaagse zonderlingen wellustig op de zalige zonnige zondiging. Waarom uitkijken naar het hiernamaals als deze met de straal van de zon zich over dit leven neer lijkt te strijken? Een zondag die zijn naam eer aan doet laat de mensen ver weg van hun huis en dat van Hem. Het bedehuis biedt hoogstens een uitbreiding op het toch al zo mooie aanzicht van het centrum. Het geheel dat prachtig zichtbaar wordt vanuit de richting de warmte opgestelde hangstoelen. Op deze rustige rustdag werken werklustige halfontblote vrouwen een halfgevuld rodewijnglas en een aangebroken brood weg. Gebroken van ouders en naasten proberen ze tijddodend de show en passerende echtgenoten te stelen. Als tenniswedstrijd kijkende hofdames bekijken ze de passerende meute en wanen zich vulgaire seks te hebben met diegenen die er het meest verbluffend uit zien. Man of vrouw dat deert de enkele bronstige rondborstige dames niet. Als ze maar bevallig zijn en langslopen. Genietend en gniffelend keren ze bij gebrek aan voorbijgaande goden hun met een grote zonnebril bezette gezichtje richting de zon. Ook deze vrouwen worden kennelijk verwarmd door de vleiende stralen die van Hem afkomstig zouden zijn.

Smerige vunzige ventjes die denken onopvallend grommend de voluptueuze vrouwen te kunnen keuren vervolledigen het terras. Als tot rotten overgaande gaatjes worden de lege plaatsen gevuld met deze mannetjes die je doorsnee, wat dat ook moge zijn, zou kunnen noemen. De in pakken getooide zwervende zakenlui zeggen zonder zelfinzicht tegen elkaar thuis hun godverdomde teef niet te willen neuken, maar één van dezen hier, doelend op de van de vuillakken wegkijkende dames, dezelfde avond nog. Alsof deze wel of niet minderjarige vrouwen hun zonder twijfel aanwezige erectieproblemen voor lief zouden nemen. Maar ze denken vast die schijn met belogen arrogantie hoog te kunnen houden. Wanneer de kwijlende kantoorkalfskoppen inzien dat de meisjes meer van de van Hem afkomstige zonneschijn zullen houden dan van de op het terras zittende medemens realiseren ze zich dat ook zij behagend beschenen worden door de liefhebbende zonneschijn. Licht geschrokken beseffen ze wat voor een geweldige dag, wat voor een zalig leven, dit is. Zelfs zij voelen de warmte, zelfs zij zijn gelukkig, zelfs zij hebben hun walhalla al voor hun sterven.

Zonder offers hebben al de op het terreurterras aanwezige zonderaars het paradijs nu al gevonden. Er is geen hel, geen heilige gave, geen geloof aan voorafgegaan om deze zonnige zondag, dit gezegende leven, met open armen te kunnen ontvangen. Zonder geloof in Hem, maar wel genietend van wat Hij gemaakt zou kunnen hebben zijn de mensen zienderogen zelfgenoegzaam. Hij schijnt geen afgunst te hebben. In elk geval tot hierna blijkt Hij geen onderscheid te maken in de geschonken warmte van de zon. En dat bewijst Hij, mocht Hij ergens zijn, door zelfs de zondiging te beschijnen met liefde. De ongelovige terrasbezetters beseffen het en genieten verder van het op dit moment aanwezige heerlijke verblijf.

Wanneer deze mensen uiteindelijk de hel zullen betreden hebben ze de hemel al gehad. Zo zou het moeten zijn, allen genietend van nu en beseffend dat vertrouwen op een leven hierna enkel veronderstellen is. Slechts de mensen die de hel al hebben gehad wanneer ze aan de poort kloppen, zij die de schoonheid van dit bestaan ondergeschikt maken aan wat hierna mogelijk zal komen, moeten hopen op een al dan niet aanwezige hemel. De zondigende rest laat het eeuwige tevreden op zich af komen wat het latere overkomelijk maakt. Met het paradijs al gezien te hebben vrezen, hopen en verlangen ze niet naar na het sluiten van de ogen. Zijn zonneschijn brandt nu, en wellicht nooit later.

Hemels.


12 reacties

LouisP · 19 april 2009 op 11:08

A.

Jezus nog aan toe, wat een prachtige zinnen. Schitterend gewoon.
Onder hoeveel pseudoniemen mag je eigenlijk columns schrijven?

groet,

LO.

arta · 19 april 2009 op 12:04

Er staan zeker heel erg mooie zinnen in en ik kan echt genieten van lijdende vormen en bijvoeglijke naamwoorden, maar in dit stuk zijn ze in zulke getale aanwezig dat ik de strekking van het stuk erdoor miste, en dat is jammer, want schrijven kun je, dat zeker.

SIMBA · 19 april 2009 op 14:00

Het is mij een beetje “too much” ik kan er mijn aandacht niet bijhouden.
Wat is een opgekropte levensgenieter?

doemaar88 · 19 april 2009 op 16:57

Hoewel er inderdaad mooie zinnen tussen, pakken ze mij niet. Het is te. Veel te. Ik heb het idee dat je het te mooi wilt schrijven.

LouisP · 19 april 2009 op 17:46

Simba, Doemaar Arta,

na jullie opmerkingen heb ik het stuk nog enkele malen gelezen. Ik begrijp wat jullie bedoelen.
Het is inderdaad min op meer ‘kunst’matig met woorden versiert. Maar wel met mooie woorden in mooie zinnen. En inderdaad Arta, de strekking gaat iets of wat verloren door de overvloed. Sommige zinnen moest ik, als leek, meermaals lezen. Desondanks vond ik het de moeite waard om er daarna van te genieten. Van een soort moderne ‘tale kanaans.’
Ik blijf het bijzonder vinden.
L.

Dees · 19 april 2009 op 21:16

Er zit een fantastische flow in je schrijven, zo zie je dat niet vaak hier en dat vind ik mooi en knap. Maar ‘waarheid’ komt beter tot zijn recht met een verbaal dieet denk ik. Waarheid zie ik in ieder geval met minder ruches voor me…

pally · 19 april 2009 op 22:41

Het is me veel te barok en dat is jammer, want jij kunt schrijven met power.

groet van pally

Ma3anne · 20 april 2009 op 07:16

In dit stukje van 650 woorden zie ik zo’n beetje alles langskomen, waarvan mijn leraar Nederlands vroeger zei, dat je daar niet te kwistig mee moet strooien in een tekst.

Om maar iets te noemen: tegenwoordige deelwoorden (werkwoorden eindigend op -end) bijvoorbeeld. 25 tel ik er.

Ik vind deze tekst gekunsteld, bombastisch en lelijk door al die overdrijving.

Mup · 20 april 2009 op 08:39

Het is al gezegd en herkend, door het te ‘mooie’ woordgebruik valt de inhoud, die er wel is, weg,

Groet Mup

LouisP · 20 april 2009 op 23:37

‘Opmerkingen dat het verhaal verloren gaat door te veel mooie woorden en zinnen.’
Een simpele zondagmiddag met wat verschillende mensen op een terras die een biertje drinken en mensen die passeren. Het verhaal stelt schijnbaar niet veel voor.
Stel dat de auteur dit simpele decor extreem voorstelt. Geen moeilijk, zielig, droevig, grappig of dubbelzinnig verhaal maar gewoon het uitstallen van aanwezig talent in overdreven mooi taalgebruik. Dat lijkt mij dan behoorlijk gelukt.
Origineel, zonder spelfouten, niet te lang, niet te kort. En met overdrijven. Hoe vaak wordt er daar in andere reacties op andere verhalen niet op gewezen en om gevraagd.

L.

KawaSutra · 21 april 2009 op 01:06

Het is natuurlijk een bewust gekozen stijl. Een stijl die wel past bij het onderwerp en de boodschap die schrijfster over wil brengen.
Niet makkelijk lezen maar wel bijzonder in zijn vorm.

Mien · 27 april 2009 op 13:46

Welcome on board at CX.

Deze column is mij een iets te veel opsommend woordenboek. Maar ja, ik ben dan ook wel een heel ongeduldige lezer.

Gewoon de volgende keer wat schuim van de tekst afkloppen en het komt helemaal goed.

Mien

Geef een antwoord