Zoenoffer

Er kruipen spinnen in mijn hoofd. Ze weven webben van gedachten. Dag en nacht werken ze door. Kronkelend in een linie, marcherend als soldaten op de vooravond van een allesvernietigende oorlog. Ik verberg me achter loopgraven en breng mijn nachten door in bunkers. En de avond wijdt me in over de geheimen van de dood.

Erecties, penselen en inktzwarte verf

“Het zijn beesten,” zei ik tegen niemand in het bijzonder, terwijl mijn ogen over de mensen op de dansvloer gleden. “Hoe houdt hij het vol om de hele nacht met een erectie te dansen?” merkte mijn buurman op, tevens tegen niemand in het bijzonder. “Wanneer je genoeg troep naar binnen gewerkt hebt is alles vol te houden,” antwoordde ik zonder om te kijken.

Uitgelezen

Hij sluit het boek op het moment dat ze de kamer binnen komt. Ze kijken elkaar aan, ze blijft staan en zegt niets. “Hoe laat is het?,” vraagt hij. Onbewogen wijst ze naar de klok achter zijn bureau – het is kwart over tien -. Verward krabt hij zich achter zijn oor. “Het is nog lang geen tijd,” constateert hij. “Ik vraag me af wanneer het wel ooit tijd zal zijn,” antwoordt ze in repliek.

Troy’s terugkeer

“Wat is er met het nachtmonster gebeurd?” vroeg ik de gedaante die tegenover me zat. “Niets”, antwoordde hij kortaf. “Het nachtmonster was slechts een middel om jou weer aan het schrijven te krijgen”. “Over misplaatste arrogantie gesproken,” bitste ik. “Ik geloof dat het je is ontgaan dat er nog vele letters op papier zijn terechtgekomen sinds jouw vertrek”.

Nachtmonster

Het nachtmonster ontwaakte. Daadkrachtig sleurde hij me uit bed, om me mee te nemen naar een plaats waar niemand ooit sliep. Verward wreef ik de slaap uit mijn ogen, – ik zag dat het al één uur was geweest -. “Naar welk gewelf ben je van plan om me dit keer af te voeren?” vroeg ik geagiteerd. “Kus me en ik vertel het je”, grijnsde hij. Plagend likte ik het zweet van zijn wangen. Mijn tong schuurde over zijn stoppelige baard. Ik kon nooit lang dwars tegen hem zijn. Ik hield van hem en zijn duivelse spel.