De toeschouwer

Natuurlijk is het schrikken. Het komt niet iedere dag voor dat een mens oog in oog staat met een gehangene. Wat doet men in zo’n situatie? Staat men vastgenageld aan de grond en kijkt men toe alsof men in een vreemde film is beland waar niets is wat het lijkt, en waar niets lijkt wat men denkt dat het is?

Onwel

“Ik denk dat ik niet lang meer te leven heb. Mijn gezicht wordt met de dag bleker, en soms, vlak voordat ik in slaap val, lijkt het zelfs alsof mijn hart even stilstaat.”
“Hypochondrie,” antwoord ik.
“Ik weet het,” snauwt ze.
Met haar vinger trekt ze haar ooglid wat omlaag. “Geel oogwit,” constateert ze.
“Viel te verwachten,” zeg ik mat.

Sterrenstaarders

“Vertel me nog eens over de sterren,” vraag ik. “Jij bent hier de enige ster waar het om draait,” antwoordt ze. Ik kruip dichter tegen haar aan. Ze weet wat ik wil horen: – Maar hoe worden sterren geboren? – “Sterren worden geboren uit sterrennevels,” zegt ze, wetende dat ik geen genoegen neem met vragen die onbeantwoord blijven. “Sterrennevels,” zeg ik haar na, terwijl ik met mijn vinger de contouren van de ‘Steelpan’ volg.

Soep

In de reflectie van het raam zie ik een gezicht. “Kom je bij me zitten?,” vraag ik. Ze twijfelt. Ik roer in mijn veel te dikke soep. Ik blijf roeren, net zolang tot de soep te koud is om nog op te eten. Eten is voor de levenden. Ik leef niet, ik overleef.

Maanziek

“Het regent op de maan,” zei ze. In gedachten zag ik het landschap van de bol die ik met gemak tussen duim – en wijsvinger kon beetpakken; de lichtgekleurde hoogvlakten, de gebergten, de zeeën van donkere lava.