“Hij is zo afstandelijk, ik weet niet wat hij de laatste tijd mankeert.”
“Hij heeft verdriet pa, net als jij en ik.”
“Het is een beest. Die snapt zoiets niet.”
“Lekker eigenwijs zijn dan. Ik durf je garanderen dat hij donders goed door heeft dat er iets niet goed zit.” Pa mompelde niet verstaanbaar wat terug, en ik liet het maar zo. Bruno legde zijn trouwe hondenkop op mijn schoot, alsof hij wilde laten merken dat hij blij was dat ik hem wel begreep. De bruine gordijnen zaten half dicht. Ik keek naar de planten in de vensterbank, die er maar slap bij hingen, alsof ze ook verdriet hadden. Mama verzorgde ze altijd keurig, deed het met een bepaalde liefde die begrepen werd door de planten. Dat dacht ik tenminste altijd. Want hoewel ik ze gisteravond – en net ook weer – water had gegeven, reageerden ze vooralsnog niet. Alsof ze, net als pa, ook niet wilden eten en drinken.
“Hij hoort hier niet thuis” zei pa met een stellige blik, onderwijl een korte beweging met zijn hand makend richting Bruno. Verontwaardigd keek ik hem aan. Maar pa leek vastberaden. “Nee, dat gaat gewoon niet.”
“Waarom niet?”
“Omdat je moeder die hond wilde! Ik niet!” Ik schrok van zijn opmerking. “Je moeder” zei hij. Geen mama, of iets anders, waaruit meer genegenheid zou blijken. Nee, je moeder….
Pa ging gewoon door. “Je ziet mij zeker al lopen, dag in dag uit met dat beest over straat te lopen zeulen. In weer en wind. Ook nog eens.” Hij sprak met een minachting over Bruno die ik niet kende van mijn vader. Eerlijk gezegd had ik er nog niet over nagedacht hoe dat ging, als ik straks weer naar Amerika was vertrokken. De afgelopen vier dagen had ik het uitlaten van Bruno voor mijn rekening genomen. Het gaf me ook wat afleiding. Er was tenslotte genoeg om te overdenken.
Ik had nog zo graag met mama willen praten, maar de jobstijding was te laat gekomen om nog op tijd uit New York weg te komen. Mama was vier uur overleden toen ik arriveerde in het kleine huisje aan de dijk. Veertien uur daarvoor had pa hem gebeld. Dat als ik mama nog wilde zien ik als sodemieter naar huis moest komen. Nog nooit had veertien uur zo lang geduurd. In het vliegtuig had ik nog wat geprobeerd te werken, in de hoop in slaap te vallen. Het ging niet. De gedachte dat mama op sterven lag en ik boven de Atlantische Oceaan vloog, de wetenschap dat mama lag te knokken om mij nog even te zien. Het won het van de slaap. Met overmacht. In een ongelijke strijd.

Net zoals de dood moeder ook had overwonnen. Niets ontziend had hij toegeslagen, niet rekening houdend met een zoon die zo nodig aan de andere kant van de wereld moest werken. Klaarwakker moest ik deze helse oversteek beleven. Mama, die zo trots op me was, had ik niet meer levend gezien, en dat knaagde aan me. Toen ik me door de taxi had laten afzetten, was ik bijna struikelend het steile paadje van de dijk afgekomen. Ik had expres niet gebeld, omdat ik het nog niet wilde weten. Ik wilde het met eigen ogen zien. Papa zat in zijn rookstoel, het hoofd omlaag. Vierenveertig jaar was hij samen met mama geweest. Al die jaren hadden ze alles samen gedeeld. Heel veel liefde, maar ook veel ellende. Hij had een pijp opgestoken. Ach, zelfmedicatie. Hij was vijftien jaar geleden gestopt met roken. En nu zaten we hier in die lage woonkamer waar ik bij de deur altijd moest bukken. Hoewel er op de deurpost niets te zien was, wist ik uit ervaring dat daar vele malen onder gevloekt was. Mama waarschuwde altijd vreemde mensen.
“Pas op voor uw hoofd, het is nogal laag.” Ik hoorde het haar nog zeggen. Mama zei ook altijd dat ik niet mocht vloeken. Hoe vaak er, ondanks de waarschuwingen, toch nog kennis gemaakt was met de hardhouten deurpost, wist ik niet meer. Hoe vaak er gevloekt was ook niet. Het deed er ook niet meer toe, mama zou ze niet meer waarschuwen.

“Laat ook maar, Bruno kan er tenslotte ook niks aan doen.” zei pa plots met zachte stem, alsof hij zich besefte dat hij niet helemaal eerlijk was geweest. De schuldbekentenis over zijn eerdere botheid, bracht me terug bij het heden. Bij de half dichtgeschoven gordijnen, bij de planten die nog steeds droevig leken te hangen, bij pa en zijn pijp. Bruno zette zich schrap met zijn voorpoten en duwde zich van mij af. Waggelend liep hij naar pa toe. De natte neus verdween in diens grauwe handen, zijn poten strekte hij uit over pa’s benen. Hij zocht duidelijk toenadering. Ik hield m’n adem in. Zou hij nu weer bot reageren en hem wegduwen? De pijp werd uit de mondhoek gehaald en aan de kant gelegd. Pa aaide Bruno over z’n kop. “Jij mist het vrouwtje hè? En nou zou je mij ook nog moeten missen. Dat zullen we maar niet doen, [i]war moatje[/i]. Wij rooien het samen wel, hè. Ouwe reus van me.”

Kuin

Categorieën: Fictie

10 reacties

LouisP · 7 maart 2011 op 13:19

Hè Kuin, waarom zet je dit nu in fictie? Ik wil dat niet weten dat het fictie is..
Zo’n prachtig geschreven verhaal…echt een mooi verhaal om te lezen…Kuin

L.

pally · 7 maart 2011 op 13:27

Erg mooi, helder en niet opgesmukt, Kuin! Of het wel of geen fictie is interesseert mij eigenlijk niet. Het is gewoon goed geschreven, ik zie het voor me en het raakt. :wave:

groet van Pally

Fem · 7 maart 2011 op 15:38

Als het inderdaad fictie is, is je opzet erg goed geslaagd. Je schrijft het alsof het een persoonlijke ervaring is. Knap gedaan!

Avalanche · 7 maart 2011 op 17:16

Sluit me van harte bij de anderen aan. Mooi!

Mosje · 7 maart 2011 op 18:33

Mooi geschreven verhaal. Maar toch kan ik er niet kapot van zijn. Het is teveel geschreven volgens het op de lagere school geleerde kop-romp-staart principe, waarbij de staart ook nog eens een happy end is. Een goede afloop laat niets over aan de lezer.

dokterblues · 8 maart 2011 op 15:48

Deze column valt op omdat het zo gemakkelijk te lezen is, niets dan lof dus. De materie is al moeilijk genoeg om over te durven schrijven.

sylvia1 · 9 maart 2011 op 15:25

Ik begrijp de enthousiaste reacties van anderen wel, maar had het zelf eigenlijk niet zo bij het lezen. Al vind ik de derde alinea wel sterk.
“Veertien uur daarvoor had pa hem gebeld. Dat als ik mama nog wilde zien ik als sodemieter naar huis moest komen.”
‘Hem’ in de eerste zin klopt hier toch niet?

arta · 9 maart 2011 op 15:58

Goed geschreven.
🙂

Mien · 9 maart 2011 op 16:03

Fictie uit het leven gegrepen.
Bruno vervangen door Blacky en we zijn IRL.

Mien

Kuin · 10 maart 2011 op 12:19

Dank allen voor de lovende, kritische en opbouwende reacties.

Ik heb dit verhaal bewust in de categorie ‘Fictie’ geplaatst om zo te voorkomen dat ik onterechte condoleances in ontvangst moest nemen.

‘Hem’ moet inderdaad zijn ‘me’.

Kop-staart-romp is ook waar. Maar hoeft niet perse hinderlijk te zijn, lijkt me. Soms heeft een verhaal gewoon een kop, staart en een romp, nietwaar?

Geef een antwoord

Avatar plaatshouder