Gaby

Dromen doe ik de laatste tijd, op een vreselijke manier. Ik word bijna elke nacht badend in het zweet wakker, en slaap erg slecht. Door mijn kop spookt die vrouw, Gaby. Maar welke binding heb ik met haar? Welke link is er tussen ons? Naar het schijnt kennen wij elkaar maar niet dat ik weet; van waar kennen wij elkaar dan toch? Hoe moet ik dit alles rijmen?

Matglas (slot)

Op school wil het niet lukken. Hij kan zich niet concentreren. Zijn hoofd zit vol gedachten, vragen en verlangen. Na het vijfde lesuur houdt hij het voor gezien. Met kloppend hart zoekt hij de straat op waar ze woont. Hij kan het makkelijk vinden en zet zijn fiets tegen haar raam. Er brand licht. Het lijkt een eeuwigheid te duren voordat de deur eindelijk opengaat. Een paar vermoeide ogen kijken hem aan. Zonder een woord te zeggen draait ze om en laat de deur achter zich openstaan. Aarzelend loopt Kevin achter haar aan de kamer in. Ze gaat zitten, met opgetrokken knieën in een hoekje van haar bed.

Matglas (deel 1)

Met veel kabaal rennen een aantal jongens over het perron. Ze roepen en dollen en slaan elkaar met hun volle weekendtassen. Aangekomen in de grote centrale hal zetten zij hun bagage naast zich neer en in een kring praten en lachen ze nog wat na. Ze besluiten nog een biertje te gaan drinken in het studentencafé ‘De Egelantier’.
‘Kevin, ouwe studiebol, ga je ook nog even mee? Het zijn toch de laatste weken joh, het gaat nergens meer over.’ Verlegen kijkt Kevin naar de grond en schudt zijn hoofd. De jongens maken een wegwerpgebaar, pakken hun spullen op en lopen luidruchtig de monumentale trappen van het station op naar buiten.

Einde terreuralarm

“Ons gebou is verpes van muise. Hulle wil nie meer die gif nie vreet nie, en ook nie in die slagysters trap nie. Niks nie help nie.”

Mijn ongewenste huisgast, in de vorm van een muis, had een week later nog steeds geen aandacht geschonken aan mijn zorgvuldig opgestelde vallen. Allerlei zoetigheden waren de revue gepasseerd, van Aardbeienjam tot Zoete drop. Zelfs mijn Belgische bonbons moesten er aan geloven.

Het medaillon

Het is zondagochtend acht uur. Ik zit voor het raam en kijk naar buiten. Een nevel ligt als een sluier over het park waarin alleen de boomtoppen net boven de nevelsluier uittoornen. In de verte zie ik de bovenste etages van flats; wazig aan de horizon.