Saluté Cruoninga

Je beseft ineens dat de stad waar je woont, niet meer jouw stad is. Het zijn de herinneringen die kleven aan de kleine dingen. Het straatmeubilair, het parkje in de buurt, de winkelstraat; ze kwalificeren stuk voor stuk. Je werpt een blik en denkt aan wat ooit was. Maar pijnlijker is de gedachte aan wat had kunnen zijn. Op weg naar de plaats waar het gebeurde, vermoedt je al dat het tijd is om te gaan. Als je kokhalzend de stille getuigen op het wegdek waarneemt, weet je het zeker. Je huis is je huis niet meer, je stad je stad niet meer.

Poespas

“Bent u de moeder van Bram?”
De vrouw die aan mijn voordeur staat kijkt mij raar smekend aan. Wroetend in mijn brein kan ik haar nergens plaatsen. Aarzelend vertel ik haar inderdaad de Bram’s moeder te zijn.
“Wilt u alstublieft vragen of hij niet meer bij mij aan de deur komt?”
Voordat ik kan vragen waarom hij haar steeds bezoekt begint de vrouw al te vertellen.

Escapisme

Als verlamd zat ik tegenover hem. Ik had nog steeds een probleem en hij zou me daarmee helpen.
Ik geloofde er niet meer in.
Ik heb heimwee, zei ik.
Aanmoedigend knikte hij me toe. Het werkte. Hij wist hoe ik hechtte aan gebaren.
Ik mis.
Ik mis. Ik mis. Ik mis.
Wat mis je? Vroeg hij.
Ik huilde. Mijn wereld is zo vervormd. Het werkt niet meer. Het gaat gewoon niet.

Wiegelied

Jouw tranen verdwijnen
Wang tegen wang
Zijdezacht, geworteld
Hier, in warme aarde
Jouw voeten naast de mijne
Stil maar, het komt goed

18:1 – 19:38

De eenzaamsten dat zijn wij. Wij die begeerte dragen. Wij die door de mazen van het net zien en weten hoe het is om te moeten schikken in het feit dat hetgeen we aanschouwen nooit deelgenoot van ons zal worden.

Jij en ik. Wij zijn de werkelijke poëten. En alles wat we kunnen doen is pogen. Om tenminste te proberen om dat wat we voelen in een woord, een schets, of een conceptie te vangen.