De auto maakt veel toeren. De auto doet zijn best om ons verder te brengen. De snelheidsmeter geeft aan dat we 120km/u rijden. Ik zie in de verte de auto’s stilstaan. Ik zie in de verte een file die onze reis voor een bepaalde tijd lijkt te gaan staken. Wat zou er gebeuren als ik met volle snelheid de file doorboor met deze lichtblauwe Golf? Ik weet zeker dat mijn instructrice te laat zou remmen, die zou het namelijk nooit verwachten. Ze zegt dat ik een bovengemiddelde bestuurder ben, maar ook bovengemiddelde bestuurders kunnen een fantast zijn. Ik ben duidelijk een fantast, dat denk ik althans. Wat is er voor honderd procent duidelijk bij een fantast…? Ik weet het niet en dat is misschien ook maar het beste. Mijn waanideeën worden een halt toe geroepen; Suzanne zegt dat ik de volgende afslag moet nemen. Dat betekent dat ik niet de file kan doorboren, want deze is net na de zojuist genoemde afslag. We verlaten de snelweg en de snelheid van de auto neemt drastisch af. ‘Ga maar links bij het stoplicht,’ zegt ze. Ze praat, maar ze praat minder vrolijk dan anders. Ze spreekt het onhumoristische alfabet der Nederlandse taal.

Ze heeft een zonnebril op, want de zon prikt in de ogen. Ik heb geen zonnebril nodig; mijn ziel is duister genoeg om het licht van de zon teniet te doen. Het lichtblauwe topje en de witte jeans maken samen met de zonnebril een leuke zomerse combinatie. Het topje is verwassen en mist de kleur van de nieuwigheid.
Aan alles is te merken dat de euforische stemming die de zon heeft gewekt bij de buitenspelende kinderen, zich niet in deze Golf heeft verspreid. Ik heb het gevoel dat de zon haar ziel heeft verbrand.

Ze heeft me eens verteld, dat ze haar appartement te koop heeft staan. Het is alweer een paar maanden geleden, maar het staat nog steeds te koop. Kredietcrisis, hè? Het probleem is: ze heeft reeds een nieuwe woning. Het komt erop neer dat ze dubbele hypotheeklasten heeft. Hetgeen voor een miljonair geen probleem is, doch voor een rijinstructie extreme kapitaalvernietiging.

‘Parkeer de auto maar hier links,’ commandeert ze. Parkeren vind ik moeilijk. Vooral het netjes inparkeren van een auto, zoals ik het ook moeilijk vind mijn gedachten goed in te parkeren. Mijn gedachten staan schots en scheef bij elkaar. Sommige mensen noemen me psychisch gestoord. Ik ben blij dat ze dat vinden. Ik ben blij dat ik anders ben dan zij.

Ik ga achterin zitten en wacht geduldig op mijn opvolgster. Er komt een meisje naar buiten. Ik noem haar een meisje, want ik ken haar naam niet. Ze stapt in en begroet ons. Ze kan de auto moeiteloos starten; ze heeft talent. Het schakelen gaat wat minder, maar dat zie ik op deze zonnige dag door de vingers. Ze moet me naar huis brengen, met de hulp van Suzanne; de levende TomTom.

Op de stoep zie ik twee mensen bekvechten met elkaar. De problematiek is duidelijk; de man met het zwarte pak en roze overhemd heeft zijn auto op de plek van de man met het grijze pak en witte overhemd staan. Ze verhogen de temperatuur van hun lichamen tot dodelijke hitte. Het kan niet lang meer duren of minimaal één van de twee krijgt een spontaan hartinfarct. Aan de overkant van de straat zijn de kinderen met elkaar aan het spelen. Zij maken zich niet druk om elk wissewasje, maar spelen. Ze spelen zorgeloos. Ze leven nog met de idealen en dromen die ze in de toekomst willen verwezenlijken. Dit in tegenstelling tot de ouderen, die veelal hun idealen en dromen hebben verruild tegen een degelijke plek in onze bureaucratische maatschappij.

‘Kom op, rijd eens wat sneller door,’ zegt Suzanne geërgerd. Dat is het probleem; we willen met ons allen vaak veel te snel door naar het volwassen zijn. We willen carrière maken en zoveel mogelijk verdienen. We willen allang geen brandweerman, held of enkel moeder worden, zoals de dromen in de kindertijd waren. Het geld blinkt en lokt ons tot het weggooien van idealen en dromen. Als kind hebben we kleur, terwijl de volwassenen steeds kleurlozer worden. Raar woord eigenlijk; volwassen. Verwassen klinkt een stuk aannemelijker.

‘Zet ‘m hier maar stil, Silvia,’ zegt Suzanne.
Ja, hier woon ik. Ik ben tot de conclusie gekomen dat volwassen zijn wel een doel is, maar dat je de reis ernaartoe zolang mogelijk moet maken. Zolang je de reis blijft uitstellen, word je oud, maar verlies je je idealen niet. Tijdens deze reis leer je de werkelijke waarden van het leven kennen, zodat wanneer je oud bent, je doel niet meer tegen kan vallen.

‘Tot volgende week weer, en maak de reis zolang mogelijk’, zeg ik als groet. Ik zie het verbaasde gezicht van Suzanne mijn richting in kijken. Zij is ook verwassen geworden, net als haar topje. Ze heeft me ooit verteld dat ze eigenlijk psychologe wilde worden. Ze heeft de autorijschool overgenomen van haar vader. Ze is haar droom niet achterna gegaan. Ik gooi de portier dicht en loop met een tevreden gezicht richting het huis waar ik woon. Wie straalt er harder; de zon of ik?


9 reacties

pally · 22 april 2009 op 10:13

Ik vind het een stukje, Maurick, waar grappige filosofische gedachten in zitten.
Maar het zit m.i. verpakt tussen te veel zinnen en woorden die er niet toe doen. Dat verzwakt de inhoud.De eerste twee alinea’s zouden zomaar weg kunnen.In de 8e alinea begin je opeens met ‘wij’ enz. Dat vind ik altijd irritant, spreek voor jezelf.

[quote]tot volgende week weer en maak de reis zo lang mogelijk[/quote]

dit had een mooie uitsmijter geweest , dan had je de rest kunnen weglaten

[quote]raar woord eigenlijk volwassen. Verwassen klinkt een stuk aannemelijker.[/quote]
dat vond ik mooi

groet van Pally

axelle · 22 april 2009 op 13:06

Nice Nice :):p
Axelle

maurick · 22 april 2009 op 15:18

Daar heb je op zich wel gelijk in, maar het is een vervolgverhaal, hè. Wanneer ik de eerste twee alinea’s weg zou laten, dan zou het geen logisch vervolg zijn op het tweede deel.

LouisP · 22 april 2009 op 18:48

Maurick,
‘Er komt een meisje naar buiten. Ik noem haar een meisje, want ik ken haar naam niet. Ze stapt in en begroet ons. Ze kan de auto moeiteloos starten; ze heeft talent.’ Dit zijn zinnen waar ik van hou. Zinnen die me doen denken aan Brusselmans. Die ik graag lees.
In dit stuk zitten nog zinnen in die ik graag lees.Maar ook zinnen die ik graag lees maar die in dit stuk misschien overbodig zijn. Misschien.

‘Ze leven nog met de idealen en dromen die ze in de toekomst willen verwezenlijken. Dit in tegenstelling tot de ouderen, die veelal hun idealen en dromen hebben verruild tegen een degelijke plek in onze bureaucratische maatschappij.’
Dit is dan weer zo’n zin die ik niet graag lees en zeker niet in dit stuk.

Voor de rest; OK

groet,

Louis

lisa-marie · 22 april 2009 op 19:47

mooi hoe je de filosofische gedachten verweeft in het leren autorijden.

Alleen bij de laatste alinea daar had ik hem bij de eerste zin op laten houden.
Snap wel dat het een een vervolgverhaal is maar dat had ik sterker gevonden.
En ook mooier.

Nana · 23 april 2009 op 15:36

In dit stuk leg je teveel uit. Dat is jammer. Maar ik vind het wel knap dat je een vervolgverhaal hebt gemaakt!

KawaSutra · 24 april 2009 op 01:19

Ook vervolgverhalen kunnen kort en bondiger. Wat je gemakkelijk in drie zinnen kunt over brengen kun je ook in één zin proberen te doen. Zeker als het niet zo’n heel spannend verhaal is moet je het van de zinsopbouw hebben. Die moet pakkend en to the point zijn. Probeer wat meer sfeer te kweken in de gedachten van de lezer door toonzetting. Je hoeft niet alles in te vullen dan wordt het langdradig. En dat is wat je nu net niet wilt, je wilt de lezer blijven boeien.

maurick · 24 april 2009 op 18:27

Bedankt allemaal 😀

Mien · 27 april 2009 op 14:53

Dit leest al lekkerder weg dan de andere 2.
Grappige roadcolumn.

Mien

Geef een antwoord