Bruinrood zand, tot zover het oog reikt, soms begroeid met duinriet en ghagras, hier en daar wat gabbabossies, doringkapokbossies, sandganna’s en koekemakranka’s. En af en toe een verdwaalde kameeldoringboom, zo uitgedroogd ,dat het lijkt alsof de minste windvlaag de bast, of eigenlijk de gehele stam, zo zou kunnen verpulveren. Niet voor niets is kameeldoringhout het beste hout om een “braaivuurtjie” mee te stoken. Het brandt langer dan rooikrans- of sekelboshout en het levert de beste kolen op. Onder de grond woekert zijn fijn vertakte wortelstelsel tot meters diep, op zoek naar spaarzame verscholen waterreservoirs. De lucht is helderblauw met hier en daar een verdwaald schapenwolkje, waarvan je weet dat het zal oplossen, lang voordat het de kans krijgt om zich als regenbui vermomd, richting aarde te storten. De Kalahari omvat een gebied zo groot als Frankrijk en Duistland tezamen en strekt zich uit vanaf het zuiden van Angola, het oosten van Namibiё, Botswana en Zimbabwe, tot het noordwesten van Zuid-Afrika. Slechts een handjevol verharde wegen doorkruist deze woestijn. Een van deze wegen leidt naar de Kgalagadi. Ergens langs die weg staat een frêle jongensachtige verschijning. Vijf turven hoog, lijkt hij deze ochtend te zijn weggeslopen uit de rekenles van de Askham Laёrskool. Een close up toont echter het verweerde gelaat van een oude man; gelooide huid met groeven zo diep als karrensporen en een even zo diep litteken, dat de linkerkant van zijn aangezicht met een diagonale kerf kenmerkend tekent. Een vlassig kroessikje en harde krulletjes op de bovenlip vormen een vriendelijke decoratie en de donkere, haast zwarte ogen, stralen een onaardse wijdheid uit. Zijn hoofdbedekking bestaat uit “korreltjieshaar”, dat nog het meest lijkt op dreadlocks die vlak bij de haarwortel zijn afgeknipt. Of op een gebruikte pleeborstel.

Zijn ontblote bovenlichaam is onbehaard en gekrast door enkele littekens, waarvan je kan zien dat ze het resultaat zijn van natuurlijk gedichte inkepingen en dat van eventueel gebruik van hechtkrammetjes geen sprake is geweest. Doppies, dat is zijn naam, is gehuld in een lendedoek van het vel van een springbok. Niet dat dit zijn reguliere outfit is – normaal gesproken draagt hij een te grote tot op de draad versleten spijkerbroek en te grote vlekkerige shirts, afdankertjes van afdankertjes – maar hij verwacht nog minstens twee autobussen met rijke “laanies” op weg naar de Kgalagadi. Misschien zal er een stoppen en kan hij een traditionele dans ten beste geven.

En misschien zullen ze iets kopen uit zijn winkeltje: tussen twee struiken zijn enkele lijntjes gespannen en er ligt een stoffig kleedje op de zandvloer. Op het kleedje liggen steentjes, rond geslepen door de zandstralende woestijnwind en in grootte variërend van een kwarteleitje tot een uit de kluiten gewassen kippenei. Erop zijn verfijnde beeltenissen aangebracht van spichtige mannen met speer of boog, in wit, zwart of roodbruin. Naast de stenen liggen gebrande schalen van struisvogeleieren, waarin afbeeldingen van dezelfde mannen, maar ook van gemsbokkies en kudu’s zijn gekaligrafeerd. Aan de lijntjes hangen bewerkte botten, eveneens gebrand en gekaligrafeerd, met een klein gaatje waardoor een dun draadje van “bokkiesderm” is getrokken.

Doppies is een San, een Bosjesman. Bosjesman, of Bushman, is een benaming die in Zuid-Afrika niet meer gebezigd wordt. Net zoals je in Amerika een indiaan dient aan te spreken met “native American” en een neger met “Afro American”. Bushmen heten tegenwoordig Khoisan, een samentrekking van de twee grootste nog bestaande stammen. Wat mensen zich dikwijls niet realiseren, is dat de Bushmen de oorspronkelijke bevolking van Zuid-Afrika vormen. Een vreedzaam, nomadisch volk, dat eerst door uit het noorden en oosten oprukkende Zulu’s en Sotho’s is onderdrukt en verdreven, waarna de Hollanders en de Engelsen ditzelfde in de overtreffende trap hebben herhaald. Eerst verdreven van de vruchtbare gronden en later ook van de drogere gebieden waar zij leefden van de jacht. Sinds “beestjes kijken” een voorname inkomstenbron voor de Zuidafrikaanse toeristenindustrie is, zijn ook de stukken niemandsland waar toevallig een mier is gesignaleerd, door overheid of het Grootkapitaal geconfisqueerd en omheind, en wonen de Bushmen aan de verkeerde kant van het prikkeldraad.

De zon brandt in het zenit en spuugt onverbiddelijk zijn hete stralen op Doppies’ naakte lijf. Woestijnhitte went nooit. Soms smeert hij zich ter verkoeling in met witte leem. Vandaag niet. Doppies heeft pijn. Altijd! Pijn in zijn hoofd, iedere ochtend. Pijn in zijn buik, al jaren. De plek kan hij blindelings aanwijzen, ergens rechts. Beneden. En chronische pijn in zijn linkervoet, een souvenir van een pofadder, die hij, ondanks een zesde zintuig waarmee hij alles wat beweegt of ademt, op afstand feilloos kan registreren, op zijn staart had getrapt.

Voor een fooi met zijn oude botten en pijn in zijn lijf in de verzengende hitte een vernederend dansje uitvoeren voor een groepje rozegebrande “all inclusive” avonturiers, behangen met foto- en videocamera’s en gewapend met een safarihoed en een glas vonkelwijn, het is bittere noodzaak voor Doppies om te kunnen overleven. Iedere dag staat hij daar. Van zeven uur in de ochtend tot vlak na lunchtijd.

Vanaf een uur of twee rijdt er geen auto meer van of naar de Kgalagadi, weet Doppies. Hij verruilt zijn werktenue voor iets gemakkelijkers en steekt de weg over en loopt naar de “bottelstore”. Drankhandels in de buurt van een lokasie floreren als een rosarium in het late voorjaar. Net zoals in Amerika naast een indianenreservaat of in Australiё om de hoek bij een aborigines settlement. Met twee flessen “cane” sloft hij naar zijn “plakkershuisje” en zet zich neer in de stoffige droogte van de lokasie.

Slechts spelende kinderen onttrekken zich aan de lome traagheid van de woestijnnederzetting op het heetst van de dag. De vrouwen kwijten zich in slow motion van hun verzorgende taken, in dit geval het roeren in grote bakken met gestampte mieliepap. En de mannen slapen of hangen rond. De combinatie van de warmte met rietsuikerspiritus eist snurkend zijn tol. Ook Doppies valt in slaap.

Zonsondergangen in de Kalahari zijn de mooiste. Een adembenemende potpourri aan kleurschakeringen glijdt groots langs het firmament. Diep purper vloeit moeiteloos in zachtrose met een pennenstreek geel. Zachtrose wordt lila wordt magenta wordt paarsblauw wordt violet wordt hemelsblauw wordt indigo. Wolkjes kleuren alle denkbare tinten oranje aan de onderkant en blauwgrijs van boven. En als de tot een ovaal vervormde vuurbal, die wij zon noemen, tot net onder de kim is gezakt, likt M.C. Eschers groene queeste, in 1882 door Jules Verne in “Le rayon vert” al zo treffend beschreven, vluchtig maar kraakhelder aan de hemel.

Doppies zit in het “veld” als de avond valt. En de avond valt snel als de zon eenmaal is verdwenen. Het koelt ook snel af. Maar Doppies gloeit. Zijn vel gloeit na van een hete stoffige dag. Zijn lijf brandt van binnen en zijn ogen schieten vuur als de donkerte van de koele avond over de woestijn neerdaalt. Het gonst in zijn hoofd. Hij sluit zijn ogen en het gonzen krijgt een ritme. Harder, zachter, harder, zachter, dan weer harder zoemt het. Er verschijnen witte vlekken aan de binnenkant van zijn oogleden. Ze dansen op de kadans van het gezoem. Op en neer en heen en weer, steeds wilder bewegen de witte silhouetten. De geesten van zijn voorvaderen? Of de geest uit de fles.

Ineens is daar een fel wit licht, allesomvattend en glanzend als satijnen zijde. Doppies loopt over het veld. Snel. Sneller nog. Het is alsof hij zweeft. Op zijn rug een pijlenkoker met boog. In zijn hand een speer. Trots bewandelt hij de vlakte. Met opgeheven hoofd. Hij is niet alleen. Ze volgen hem. Als Doppies links gaat gaan zij ook naar links. Als Doppies zijn pas inhoudt, lopen zij allen langzamer. Ze zijn een gemsbok op het spoor, de afdrukken oogden vers in het mulle zand. Doppies vult zijn longen met koele woestijnlucht. Zijn ogen glanzen vastberaden. Sneller, nog sneller nu. Weg is de drukkende hitte, weg is de pijn, weg is het prikkeldraad, weg zijn de vernederingen, weg is de bottelstore, weg is de weg. Sneller en verder gaat het. Doppies komt naar huis. Het “veld” is zijn thuis. Hij kent de weg. Hij weet zijn route. Hij ruikt zijn land. En nog sneller. Hoger ook. Hij vliedt over Etosha; door Matabeleland. Duizenden kilometers ver. Hij lacht. Hij is gelukkig. Hij is bijna thuis. Duizenden, neen, tienduizenden sterren kijken mee vanuit de sterrendeken die de heldere nacht liefdevol over de Kalahari heeft gespreid. Daar gaat hij, de trotse jager. Hij vliegt nu. Zo snel als het licht. Kijk daar, een vallende ster. Doppies mag een wens doen.


Chris

Chris den Daas

3 reacties

Mien · 22 maart 2012 op 08:32

.
En hier is ie dan: [b][url=http://www.south-africa-tours-and-travel.com/images/manhood-ritual-trevor-kelly-xhosa.jpg]Doppies[/url][/b]

Onderhoudend columnpie Chris.

[b][url=http://www.gezondheidsnet.nl/upload/zonnen/verbrand/verbrand_365x243.jpg]Mien[/url][/b] braait in de zon

Libelle · 22 maart 2012 op 08:41

Dit is toch geen column meer? Net zo min als een gedicht dat is. Het lijkt me meer verplichte Adriaan van Dis-achtige literatuur voor een atheneum. Genoeg complimenten weer.

champagne · 22 maart 2012 op 15:21

Geen column inderdaad, wel mooi en beeldend geschreven.

Geef een antwoord

Avatar plaatshouder