Grote en kleine zorgen. Ze zijn talrijk, tegenwoordig. In die eerste fracties van seconden na het ontwaken op deze zondagmorgen, vallen ze met grote kracht over me heen. Ik denk aan hoe het ooit was en opeens verlang ik hevig terug naar de tijd waarin heimwee mijn enige zorg was. Een zorg bovendien, die op eenvoudige wijze weggenomen kon worden. Na drie weken weet ik dat de lift, gevat in een gietijzeren kooi, altijd met een hels kabaal tot leven komt. Daarom besluit ik de trap naar de begane grond, zes verdiepingen lager, te nemen. Beneden laat ik de voordeur met een zucht in het slot glijden. Eindelijk buiten. Gevlucht uit de deprimerende stilte van mijn kleine zolderappartement, waar de slaap geen troost meer wilde brengen. De gevels van de slapende stad weerkaatsen het geluid van mijn voetstappen. Doelloos loop ik mijn tranen achterna. Een enkele auto passeert met gierende banden, die me laten opschrikken. Verder is er nog geen ziel te bekennen op deze vroege septembermorgen in 1983.

Het is niet koud, maar ik kruip diep in mijn jas. De kilte zit in mij. Omdat ik er de pas in heb, ben ik binnen vijf minuten bij de brug over de Rhône. Boven de oude stad, aan de overkant van de rivier, verkleurt de lucht van indigo naar ochtendblauw. En alsof er iets te vieren valt, vlecht de hemel donkerroze strepen door het blauw. Halverwege de brug blijf ik even staan, mijn ogen gericht op dit schouwspel, dat me, ondanks haar schoonheid, niet verwarmen kan. Ik zucht nog maar een keer, zet mijn ene voet voor de andere en loop, iets langzamer nu – ik heb immers geen haast – naar de andere kade.

Het decor op het Place Bellecour, in het hart van de stad, wordt gevormd door grauwgrijze rolluiken. Bijna voelt het, alsof het plein me afwijst, zich naar binnen keert en mij niet toe wil laten. Onwelkom. Het maakt me nog killer van binnen. Deze vreemde stad, zo ver van waar ik hoor, lijkt mij niet te willen omarmen. In het midden van het plein staat een telefooncel. Als ik de deur ervan opendoe, slaat de stank van urine en zweet in mijn gezicht. En meteen komt ook het besef, dat het nog veel te vroeg is om te bellen. Er is vast nog niemand wakker, daar. Negenhonderd kilometer hier vandaan is de dag minstens net zo pril als hier.

Gelaten kijk ik op een bankje de zon omhoog. Een clochard wankelt voorbij, zendt mij een tandenloze glimlach. Ik grijns ongemakkelijk terug. Naarmate het daglicht toeneemt, gaat er af en toe een voordeur open, een rolluik ratelend omhoog. Een beetje verstijfd door het lange wachten op het bankje, ga ik staan en overbrug ik de kleine afstand naar de telefooncel. Ik priegel een paar muntjes in de telefoon, draai het nummer dat ik kan dromen en wacht ongeduldig tot er opgenomen wordt. En dan, eindelijk: de stem van mijn vader. Zijn kalmerende woorden blussen het vuur van mijn heimwee. Tien minuten later, als mijn kleine voorraadje francs door de telefoon is opgeslokt, wordt de verbinding verbroken. Een heel stuk lichter loop ik terug naar het appartementengebouw waar ik nog elf maanden zal wonen. Met af en toe een heimweesussend telefoontje sla ik me vast glansrijk door dit jaar heen.

Categorieën: Verhalen

Avalanche

Zit nooit om woorden verlegen. http://tekstfontein.com

6 reacties

pally · 5 april 2010 op 17:48

Mooi en rustig stukje, Avalanche! Goed in te voelen heimwee naar het bekende en het beklemmende van nieuw en vreemd.
Deze zinnen sprongen er voor mij uit:
[quote]gelaten kijk ik op een bankje de zon omhoog[/quote]
en
[quote]En alsof er iets te vieren valt, vlecht de hemel donkerroze strepen door het blauw[/quote]

een van deze twee quotes hadden m.i. een mooie uitsmijter kunnen vormen, want dat was het enige wat ik niet zo sterk vond…

maar toch; :wave:

groet van Pally

Emiliever · 5 april 2010 op 19:41

Mooi Avalanche, ook deze (aangepaste) versie…ik weet eigenlijk niet goed welke mooier is, ik denk dat toch deze! Ben het helemaal eens met Pally, die quotes die zij eruit licht, zijn heel bijzonder!

Ontwikkeling · 5 april 2010 op 22:25

Ik vind dit een heel mooi stukje, je eenzaamheid in het verre Frankrijk is bijna voelbaar.

LouisP · 6 april 2010 op 00:21

Avalanche….
prachtig….maar toch even wat opmerkingen…
“Beneden laat ik de voordeur met een zucht in het slot glijden.” Vind ik niet zo mooi..kan anders opgevat worden. Wanneer je die weglaat moet je even verder niet nog een keer zuchten…

“De gevels van de slapende stad weerkaatsen het geluid van mijn voetstappen.”…Ik zou bijna zeggen…pas op met dit soort zinnen…zeker als je er al wat van dit genre hebt ingezet…..

waarvan er een paar pareltjes bij zijn trouwens..

“Na drie weken weet ik dat de lift, gevat in een gietijzeren kooi, altijd met een hels kabaal tot leven komt. Daarom besluit ik de trap naar de begane grond, zes verdiepingen lager, te nemen.”..Bij deze zin geef je raar maar waar bij mij heel erg duidelijk aan…hoe de situatie op dat moment in elkaar zit…..

en ja…die laatste alinea…daar zit ie..de twist…ik vind het een bijzonder mooi stuk…

groet,
Louis

lisa-marie · 6 april 2010 op 23:07

Genoten! :wave:

arta · 7 april 2010 op 11:43

Mooi stuk!
Wel érg veel bijv. nw, en als dat mij opvalt….:-D

Geef een antwoord