Het is koud buiten. Ik sta te wachten bij de bushalte. Van ver zie ik mijn zoon aankomen. Verleden week was hij nog jarig, hij werd vier en twintig, en straks is het vijf december. Daarom gaan we nu met de bus naar Amsterdam. Hij mag kleren uitzoeken in de stad. Hij vond het een goed idee. Ik bekijk hem aandachtig. Zijn ogen staan moe, zijn huid is onrustig, de tanden vertonen bruine vlekjes.
‘Doe je je fiets niet op slot?’ vraag ik, een blik werpend op zijn rijwiel, een mij onbekend roestig exemplaar met stang.
‘Nee, deze heb ik geleend op het station. De mijne was ook gejat.’
‘Oh,’ zeg ik. Hij wil geen mondkapje op, maar het is verplicht. Half hangt het op zijn bovenlip en zo nu en dan, op mijn aandringen, hijst hij het kapje weer terug op zijn neus.
Ik bekijk hem nogmaals. Wat ik voor hem voel valt moeilijk bondig te omschrijven. Het is een smeltpot van gevoelens. Schuldgevoel, ergernis, ongerustheid, onbegrip, boosheid, wanhoop en tenslotte kwetsbaarheid.
Hij is een zoon, geboren uit een eenzijdige wens, namelijk de mijne, van een veel te jonge, onzekere moeder. Er was een verwekker, min of meer zo nu en dan aanwezig, onverschillig en grotendeels ongeïnteresseerd in de verantwoordelijkheden van diens vaderschap.
Geconfronteerd met armoede en beperkingen, groeide deze zoon op temidden van het geruzie van zijn ouders, depressie en uitzichtloosheid.
Op een bepaalde manier is het mijn schuld dan ook dat hij er nu zo aan toe is.
Met tussenpozen verslaafd, verslagen, alleen, eenzaam, hopeloos.
Hij is zo nu en dan dakloos, beweegt zich met enige regelmaat, als een gladde aal, tussen groepen aan lager wal geraakte lieden. Zij spreken straattaal, daar waar ze ook voornamelijk hun bestaan leiden. Sommigen bezitten een mes of boksbal, die zij zonder aarzeling inzetten bij confrontaties. Soms breken ze in, omdat ze honger lijden, en soms omdat ze menen dat ze er recht op hebben. De meesten werken niet, mijn zoon bijvoorbeeld werkt alleen op zaterdag. Hij bezorgt dan Chinees eten.
Honger heeft hij vaak, zo ook nu.
‘Eerst eten,’ zegt hij, wijzend naar een Domino’s zaak. Pizza dus.
Wanneer wordt het de laatste keer dat ik hem zie?
Want ik weet dat de klok tikt, onverbiddelijk, zonder precies te weten hoe laat het is.
‘Meneer, heb je een peuk?’ roept hij naar een toevallige voorbijganger, een man gehuld in pak en glimmende schoenen. Hij kijkt angstig en loopt wat sneller.
‘Klootzak,’ mompelt mijn zoon gefrustreerd, het pizzaservetje verfrommelend. Hij gooit het klakkeloos op de grond zonder te zoeken naar een afvalbak. Ik deponeer het ding waar het hoort.
‘Jezus mina,’ zegt hij en loopt nu naar drie rokende jongeren.
‘Wacht,’ breng ik haastig uit.
‘Ik koop zo een pakje sigaretten voor je, maar als je weer een vreemd iemand om een sigaret gaat vragen, draai ik me om en ga ik naar huis.’
Hij lacht minzaam.
‘Ach joh, in Amsterdam kan dat gewoon. Een peuk vragen,’ sputtert hij nog tegen.
We naderen Primark. Een grote zaak, met zes verdiepingen. Je wil er niet dood gevonden worden. Het is er normaal gesproken druk, plakkerig en vol. Maar de mode is betaalbaar.
Dit keer kun je zonder al te veel ellende doorlopen. Mijn zoon kiest een paar broeken, een jas en een shirt uit. Dan blijft hij staan.
‘Een badjas,’ zegt hij, strelend met zijn hand over de zachte stof.
Het kledingstuk is niet duur.
‘Neem maar mee,’ zeg ik, goedmoedig knikkend.
Hij kijkt nadenkend naar me.
‘Echt?’
‘Ja hoor. Doe maar.’
‘Wat leuk. Een badjas. Ik heb nog nooit een badjas gehad.’ Hij neemt het kledingstuk met hanger van het kledingrek en legt het voorzichtig in ons mandje.
Deze dankbaarheid, de eenvoud van dit gebaar verkleint op dat moment mijn onbegrip voor hem, en vergroot zijn menselijkheid, die ik bijna vergeten was.
De afstand valt opeens wat gemakkelijker te overbruggen en mijn smeltpot van gevoel vereenvoudigt zich naar een beter defineerbare emotie.
De liefde, die ik niet meer durfde toe te laten, uit angst hem te verliezen. De liefde van een imperfecte moeder voor haar haast verloren zoon.
Ik ben blij dat deze nog bestaat. Van een imperfecte moeder voor haar haast verloren zoon.
Ik ben blij dat deze nog bestaat.

Categorieën: Hokusai bon

Avatar

NicoleS

Door veel te lezen word je een betere schrijver. Joost Zwagerman was ervan overtuigd. Ik houd van lezen maar ook van schrijven. Ik ben bij column x terecht gekomen dankzij mijn lieve vader die hier jaren columns geschreven heeft. Kees Schilder is zijn naam. Ik hoop evenveel plezier te beleven aan het schrijven als hij. Favoriete schrijvers: Gerard Reve, J.J Voskuil, Maarten 't Hart, Adriaan v Dis, Arnon Grunberg, WF Hermans, Simon Vestdijk, Louis Bordewijk en Jean Plaidy. Favoriete boek: Het bittere kruid, Marga Minco.

6 reacties

Avatar

van Gellekom · 11 mei 2021 op 12:40

Erg goed geschreven weer

Avatar

NicoleS · 11 mei 2021 op 12:59

Ik Xie dat de laatste 2 regels 2x staan gepost. Waarvoor excuses.

Avatar

Arta · 12 mei 2021 op 00:00

Ik vind de laatste twee regels prachtig!
Heel mooi, heel kwetsbaar, heel stoer!

Avatar

NicoleS · 12 mei 2021 op 11:06

Dank voor je reactie ❤

Avatar

G.van Stipdonk · 12 mei 2021 op 16:32

Sterk stukske, ondanks de herhaling.

Geef een antwoord