Een beetje verdwaald struin ik langs de oever van de Maas. Het water heeft een zuigende werking. Ondanks alle waarschuwingen schuim ik de waterkant af. Ik luister naar het klotsen van de golven. Die worden voortgestuwd door de grote riviersloepen op het water. De modderige oevers zijn hier en daar afgebrokkeld. Wilgenbosjes proberen laatste restjes zand met hun wortels vast te houden. Veel wortels liggen al bloot.
Ze mogen niet verdwijnen, de wilgenbosjes. Ze vormen pretvoedsel voor onze papegaai, Rico, de blauwvoorhoofdamazone. Met zijn kale grijze poten houdt hij de twijgen die mijn pa ieder weekend voor hem plukt stevig vast en pulkt met zijn snavel het zachte hart uit het hout. Blauwvoorhoofdamazone, ik zal die naam nooit meer vergeten. Net als Rico, papa’s gekooide piratenvogel.
De wortels en stronken die tussen het wilgenbos bloot liggen vormen voor mij een ideale springplank en landingsbasis. Het wilgenbos hangt half over het water. Zodra de golven door het wilgenbos klotsen zoek ik naar ideale landingsplaatsen om mijn voeten droog neer te zetten. Als ik dreig te vallen houd ik me vast aan de wilgentakken. Ik waan me een stoere piraat. Een piraat ver van huis. Rico zit denkbeeldig op mijn schouder en ik ga op zoek naar nieuwe uitdagingen.
Telkens als een grote riviersloep voorbij trekt en het water naar zich toe zuigt, tuur ik over het water en maak inschattingen. Hoe ver kan ik vanaf de oever over de bodem van de rivier het terugtrekkend water volgen? Hoeveel seconden heb ik om op tijd terug te rennen richting oever, zonder ingesloten te worden door vloedgolven die mij woest van opzij en van achteren proberen te omsingelen?
Vandaag is het druk verkeer op het water. Van al het gespring en alle overwegingen word ik al snel moe. Het is ook al laat. Nog een keer wil ik een grote slag slaan. Ik wacht op een grote boot. Daar komt ie. Zie ik het goed? Het zijn er twee. Van beiden kanten glijden piratenschepen door het water. Ik hoor kleine en grote kiezels onder en achter de waterspiegel stevig wegrollen. Ze worden mee gezogen door de stroming. Het maakt een snerpend geluid. Dit wordt een grote vloedgolf. Zeker weten. Ik ren achter het zuigende water aan. Nog effe. En … terug … terug … ik moet terug!
Het water komt nu heel snel. De golven zijn groter dan anders en ze komen van twee kanten. Waar moet ik naar toe? Ik ben het even kwijt. Ik zie bij het terugrennen rechts van mij de golven al tegen de oever beuken. Het water klotst omhoog en slaat de oever stuk. Ik schrik. Dit is heftig. Aan de linkerkant schuin achter mij komt nu ook een grote golf opzetten. Ik mag niet langer twijfelen. De golf en ik zijn beiden zo’n drie meter verwijderd van de oever. Ik kom amper vooruit op de kiezels die onder mijn voeten met mij mee rollen richting oever.
Dan voel ik ineens het water in mijn broek lopen. De golf beukt tegen mijn knieën aan en slaat me bijna onderuit. Ik kan me nog net vastklampen aan wat lange graspollen op de oever. In de kraag van mijn jas kruipt plots een hand. Een oude man buigt zich voorover en trekt me de kant op. “Hebbes … net op tijd, menneke! Ehhh … wat … zie ik het goed? Ben jij niet die kleinste van Mien familie? Vorige maand heb ik hier jouw broer nog uit het water gevist. Die was echt bijna verdronken … Jongens, jongens, toch … Leren jullie het dan nooit! Die Maas, die is gevaarlijk. Met al die schepen en zijn onderstroom!”

3 reacties
arta · 22 februari 2015 op 12:22
Ah, Mien, de kleine piraat.
Spannend geschreven!
Esther · 22 februari 2015 op 13:06
Heel spannend. Ik kreeg het even benauwd zelfs, hartkloppingen..haha. Echt!
Frans · 22 februari 2015 op 21:38
Mooi geschreven weer.