De zomer komt dit jaar veel te vroeg. In grote droefheid, intens en veel te warm. Voor mams kon het niet warm genoeg zijn. Lekker bakken in de zon op de stretcher, achter op de plaats. Op zijn tijd koud douchen onder de tuinslang, die was vast gemaakt aan de waslijn. Ik hoef niet meer naar school. Bijna een week te vroeg is de grote vakantie voor mij al begonnen. Nog een week naar school gaan, nu mams pas is overleden, lijkt niemand een goed idee. Jammer, want ik mis de vriendjes in mijn verdriet. Onmeetbaar verdriet. En nou krijg ik ook geen plantje mee van school, om voor te zorgen tijdens de vakantie. Ik begrijp het nog niet helemaal. Ik leef in een waas. Mams zal ik nooit meer zien, zo is me verteld.
Mams was erg ziek en zo herinner ik haar. Zachtjes kreunend en zuchtend ’s avonds in bed. Als ik thuis kwam van school zat ze vaak aan de keukentafel, met een grote kartonnen schoendoos op schoot. Er zaten allemaal kleine doosjes in de doos. Die stalde ze dan voor zich uit. In de doosjes zaten potjes met pillen in verschillende kleurtjes en grootte. Sommige potjes schroefde ze open. Met een glaasje water nam ze dan wat pillen in. Wat had ze het vaak warm, hartje zomer. Ik kon dat altijd aan haar zien. Aan haar natte bovenlip, die glinsterde in de zon. Een glaasje ranja kreeg ik van haar en een Mariakoekje, daarna moest ik maar gauw buiten gaan spelen. Mama was moe en ging dan eventjes op de bank liggen, in de woonkamer, met de gordijnen dicht, hartje zomer.
Het is nog vroeg in de middag en ik haal mijn hockeystick en hockeybal uit de schuur. Samen spelen gaat voorlopig niet. De kinderen waar ik mee speel zitten nog op school. Achter in de straat is het rustig. Gelukkig staan er niet veel auto’s, zodat ik een geschikte plek vind om tegen de muur te slaan. Het liefst wil ik slaan tegen een kale muur. Dat leidt het minste af. Niet tegen dat stukje muur met die vreemde witte woorden op gekalkt, woorden die ik niet begrijp, ‘RMS en ‘Ambon’. Pas veel later begrijp ik dat de woorden te maken hebben met treinkapingen uit de jaren zeventig. De zon brandt in mijn nek en ik sla de bal wel honderd keer tegen de muur. De uitdaging zit erin om de bal telkens net ietsje over de stoeprand te slaan. Het lukt steeds beter. Langzaam speel ik mezelf moe. Het is veel te heet en ik heb dorst, ik houd het voor gezien en ga naar huis.
Aan de aanrecht staat een mevrouw in een witte jurk en een wit kapje op haar hoofd. Ze staat af te wassen. Ik vind het maar een rare vrouw, zeker met dat vreemde hoedje op. Houd ze die op omdat ze niet echt wil binnenkomen? Haar zwarte fiets staat brutaal midden op de achterplaats. Onbeleefd vind ik dat eigenlijk. Ik weet niet meer hoe ze heet. Ze komt ons voortaan helpen, iedere dag, met de was, de poets, het eten en met mij. Ja, ze is schoonmaakster, kookvrouw en oppas tegelijk. Ze gaat iedere dag voor ons zorgen, omdat mams er niet meer is. Zo heeft paps het ons uitgelegd. Het is een gezinsverzorgster. “Mag ik wat drinken?” De vrouw draait zich om en kijkt me vanuit de hoogte aan. Ze ziet dat ik erg zweet, althans dat hoop ik. “Ga maar even aan tafel zitten, dan krijg je een glaasje water.” Ze gaat verder met de vaat. ‘Water!’, denk ik, ‘krijg ik geen ranja, het is zo heet!’ Ik durf het niet te vragen, aan de witte mevrouw.

2 reacties
arta · 19 maart 2015 op 20:47
Erg mooi en verdrietig.
Tijdens het lezen voel ik me een beetje een voyeur, zo intiem geschreven.
Suzanna · 19 maart 2015 op 21:09
Mooi geschreven en o zo kwetsbaar…