Naast onze school staat de bibliotheek waar ik een keer per veertien dagen twee boeken mag lenen. Het ruikt er naar muf en oud papier, maar vooral naar verre en vreemde werelden. Wanden vol boeken die ik zal kunnen lezen. Wat een rijkdom! Ik zoek grote exemplaren uit, het liefst veelgelezen wat verkleurde sprookjesboeken.
Loodzwaar zijn ze, maar ik sjouw ze met plezier door de slingerende laan tot aan de klok op de hoek van de straatweg, waar ik moet oversteken. Daar ga daar ik even zitten uitrusten met de boeken op schoot en kijk naar mijn nieuwe molières. Deze veterschoenen zijn eigenlijk voor jongens. Ik ben eerst erg boos geweest toen ik ze aan moest. Maar nu ik er aan gewend ben, hebben ze toch wel wat. Ze staan een beetje geleerd. Misschien passen ze juist goed bij een meisje dat veel boeken leest, peins ik.

Ik dagdroom vaak. Het heeft mij in ons gezin de bijnaam ‘Jozef de dromer’ opgeleverd. Dat vind ik wel een eretitel, iets wat me onderscheidt van de anderen. Bovendien is het waar. Ik kan zomaar ergens een hele tijd zitten dromen. Op de bovenste tree van de trap of tegen de achtermuur van het huis in het grind. Even weg van alles, verscholen in mijn eigen wereld.
Soms verzinnen mijn zusjes en ik verhalen, als we in bed liggen. Het is ons favoriete spelletje geworden. ‘Kussen kijken’ noemen we het. Je gezicht met ogen open in het kussen drukken en dan vertellen wat je ziet. Al gauw blijkt dat ik wel heel veel dingen zie. Mijn zusjes roepen: ‘doorgaan, doorgaan, Adje, wat zie je nog meer?’, als ik wil gaan slapen en ik verzin maar weer door. Het gaat gewoon vanzelf.

De auto’s zoeven voorbij op de straatweg. Benzinedampen dringen in mijn neus. Ik steek voorzichtig over, en sjouw weer verder met de zware boeken, onder elke arm één. Ik wou dat ik niet zulke dunne armen had. Dan over de rails van de trein langs de roodwitte spoorbomen. Het kleine station, aan de rechterkant, ligt een beetje hoger dan de straat. Verderop sla ik rechtsaf, de Spoorlaan in.
Ik ben nu eindelijk bijna bij onze laan aangekomen. Op de hoek, kijk ik als altijd naar de rouwauto’s, die als glimmende zwarte torren staan te wachten op hun prooi: de doden.
Ha, gelukkig, bijna thuis, nog een paar meter lopen over het trottoir van zand en fijne steentjes. Ik hou er erg van. Het voelt als een bospad.
Zwetend kom ik thuis aan.

Die avond in bed, voel ik mijn hart opeens heel snel kloppen en mijn pyjama is al snel doorweekt. Ik heb een stevige griep te pakken. Met hoge koorts en diarree lig ik de hele week boven in het dakkamertje met drie ijzeren spijlen voor het raam.
Ik lees in de sprookjesboeken, die door de koorts nog fantastischer, maar ook veel griezeliger worden. Plaatjes veranderen in diarreekleuren, heksen stappen eruit en klauwen naar me. Ze grijnzen vals. Ik doe mijn ogen stijf dicht, glij mijn bed uit en ren op de tast naar de overloop. ‘Mama, je moet komen, mama!’, krijs ik schor langs twee trappen naar beneden. Ik schrik van mijn eigen rare stem. De pyjama plakt aan mijn benen, terwijl ik rillend blijf wachten. Dan hoor ik eindelijk de bekende snelle stappen en zie ik haar gezicht verschijnen boven een dienblad met thee, aspirientjes en de thermometer.
‘Snel je bed in, hoor, je hebt nog koorts’.
‘Ja, mama’. Over het enge levende boek zeg ik maar niks. Het ziet er weer heel gewoon uit, nu het open op de vloer ligt.
‘Dat boek moet je niet zomaar op de grond laten slingeren, het is toch van de bibliotheek?’
Ik knik schuldbewust en leg het op bed terug.

Mijn tweede moeder is niet erg aanhalig. Het aardigst vind ik haar als ik ziek ben. Dat is een groot voordeel van griep hebben. Met routineuze, maar voor haar doen toch zachte gebaren, dekt ze het bed schoon op, voelt aan mijn voorhoofd of ik koorts heb – dat laatste vooral is zo heerlijk – en inspecteert met kennersblik de bruine drab in de po. Ze is in haar element, weer helemaal de zorgzame verpleegster die ze ooit was. Dit is veel meer wat haar ligt, niet het drukke huishouden met veel kinderen. Al begrijp ik dat jaren later pas.

Ik zuig gulzig deze speciale aandacht op en sla het op als reserve voor normale magere dagen.

Categorieën: Verhalen

pally

Genieten van leven en mensen en natuur om mij heen. Schrijven als belangrijke drijfveer om te ordenen, te relativeren en te communiceren.

12 reacties

SIMBA · 16 april 2012 op 07:48

Aaaah! Weer een mooi schoenen-verhaal!
2 boeken per 14 dagen is veel te weinig hè, ik vond dat tenminste. Ik mocht op een gegeven moment het dubbele meenemen van de bieb-mevrouw 😀

Libelle · 16 april 2012 op 09:30

Je bent er trots op een dromer genoemd te worden.
Ik was er ook trots op een dromer genoemd te worden.
Maar mij noemden ze ook wel fantast, de negatieve betekenis. Of ‘afwezig’, nog erger, zelfs de gave te kunnen dromen werd me ontzegd. Hadden ze mij ook maar uitsluitend dromer genoemd, dan zou ik misschien ook zo mooi kunnen schrijven, zoals jij.
Voor meer dan negen lezers en verhaaltjes voor meer dan mijn kleinkinderen, die alleen maar luisteren voor snoepjes.

LouisP · 16 april 2012 op 10:58

Tja Pally, wat moet ik hier van zeggen…’k raak bij het lezen al in paniek bij zoveel schone zinnen, ontroerende bijbehorende gedachte, kippevel, bewondering, stilzwijgen…
Wat een prachtige column, gemengde gevoelens, herinneringen, vragen, mogelijke antwoorden…

Column van de Maand, ‘k zou dat graag willen

arta · 16 april 2012 op 11:43

Er zit zoveel in dit verhaal, dat het vraagt om herlezen!
Goed geschreven, Pally!

Ferrara · 16 april 2012 op 14:29

[quote]Misschien passen ze juist goed bij een meisje dat veel boeken leest[/quote]

Dat noem ik nog eens van de nood een deugd maken.
Prachtig verhaal.

Mien · 16 april 2012 op 17:22

Bij mij bood ‘Pinkeltje ontmoet Wolkewietje’ van Dick Laan troost bij ziek zijn.
Thanx for the memory Pally.
Dit verhaal past weer mooi in het schoenenboek.

Mien

trawant · 17 april 2012 op 01:02

Een levendige herinnering met een schrijnend randje.
Prachtig beschreven, helemaal vanuit het kind.
Wat ik vooral extra vind aan dit stuk is dat je de ruimte en de
tijd neemt om de omgeving en je gevoelens uitgebreid, maar niet ‘overdone’ te beschrijven.

En ik vind ook dat er ineens iets bijzonders in je schrijven is gekropen. Ik noem het maar beheersing van je materiaal en je gereedschap..vakkundig dus, chapeau..!

Mien · 17 april 2012 op 08:26

Ik onderschrijf Trawant’s commentaar volledig.
Goed beschreven.

Mien

Harrie · 17 april 2012 op 14:54

Biliotheken? Bestaan die nog? In wat voor tijdperk leven ze op moeder Aarde? Mooie nostalgie. Dat wel. Zou zo voorgelezen kunnen worden op zender Max. Dat is toch een zender voor ouderen?

embee · 17 april 2012 op 20:27

Supergoed sis, lekker gelezen!
En nog steeds bestaand: Tap zure pap.

:kus: Embee

WritersBlocq · 18 april 2012 op 14:10

Ik weet niet veel van je schoenenreeks – daarvoor heb ik te weinig geCXd denk ik. Maar het verklaart wel de titel, die ik anders niet begrepen zou hebben. Mijn oma droeg ze ook, heel comfortabel vond zij ze, dus ik vond ze ook nooit stom.

Mooi geschreven column, Pally. Ik vind er de rust in die niet ten koste gaat van je enthousiasme. Soms denk ik dat je enthousiasme wel t.k.v. de rust in je columns gaat. Erg mooi dus, heel levendig! Vooral dat ‘kussen kijken’, prachtig!

pally · 19 april 2012 op 23:54

Erg bedankt voor de reacties!
Trawant, Mien, WB,en Louis speciaal voor de feedback, die me bevestigt in schrijven nieuwe stijl :kus:
Pally

Geef een antwoord