Het kon geen slapen meer zijn. Hoe kun je nog slapen, wetend dat wanneer de dag aanbreekt, je adem nog enkel een pijngrens vasthoudt. Onderdanig moeten zijn aan anderen die walgen om wat je bent. Ik heb er niet voor gekozen. Ik, als vrij geboren meisje. De derde dag, ik weet nu dat het een illusie is. Vanaf het moment dat het bloed van mijn ouders geleidelijk door mijn aders stroomt, ben ik niet ongebonden geweest. Het liefst zou ik het figuur die dit verzinnebeeld verzonnen heeft, innig kussen en zo in vergetelheid raken. Het is nu niets anders dan wachten totdat ik besmet raak, vervolgens word ik als een rotte appel door anderen – zonder geweten – eruit gevist. Er heerst hier een ziekte en ze vreet iedereen langzaam op. Ze verbranden de mensen die besmet zijn. Ik heb het niet met eigen ogen gezien, maar de keren dat ze mensen uit de groep haalden, vormden zwarte rookwolken urenlang een dichte mist boven ons. De geur van smeulende karkassen, het doet mij kokhalzen. Er wordt gezegd dat zélfs de kinderen verbrand worden. Ik ben niet bang om te sterven, mijn angst gaat eerder uit naar de mensen die het overleven.
Zavri is een jongen van mijn leeftijd die hier ook zit. Zijn ouders zijn dood. Zonder afscheid te hebben kunnen nemen, heeft hij zich hierbij neergelegd. Tranen zwerven nog over zijn gezicht, met als laatste halte zijn mondhoeken. Het was bij de vierde bomaanslag en de spatresten zijn nog te zien. Hij heeft nu alleen nog maar zijn zus. De ziekte heeft haar gevonden en ze kreunt constant van de pijn. “Ik wil dat ze ophoudt!”, schrei ik in mijzelf.
Ze ligt daar maar, uitgeput te toeven op haar laatste zucht. Ik kom niet in haar buurt, de lege blik die ze heeft aangenomen, schrikt mij af. Zavri verzorgt haar. Het is alleen hij die ik nog liefheb. Hij mag het mij niet kwalijk nemen, ik heb zelf niemand meer.

Harde duwen in mijn rug drukken mij de ruimte uit.
“Vieze misbaksels opstaan! Eruit, Eruit!”
“Zavri!”, roep ik, met mijn handen uitreikend naar die van hem. Ik ben hem verloren ergens achter mij. Hij sliep die nacht vijf kinderlichamen verderop. In de haast om te gehoorzamen bots ik tegen een schriel meisje dat voor mij loopt aan. Nog ongecoördineerd van de nachtroes, struikel ik over mijn eigen spillebenen. Niet vallen, wat je ook doet, val niet. Te laat, met mijn mond knal ik tegen één van de ijzeren pijpen –die de ruimte bij elkaar houden – aan. Nog voordat ik mijn doordringende kreet van pijn kan uiten, word ik alweer aan mijn arm meegesleurd. Ik krijg géén moment om even het kind te zijn dat ik ben.
“Doorlopen!”
Bloed vult mijn mond, met stokkerige slikken laat ik het verdwijnen. Ik voel met mijn vingers aan mijn tanden en loop snel door. Mijn lege maag en de jeuk over mijn hele lichaam, het doet er allemaal heel even niet meer toe. Het gebulder van de mannen sluit al het andere af. Sommigen mensen schreeuwen schel en tonen verzet. Dit wordt afgestraft door met een hanteerbaar cilindervormig stuk hout tegen hun schedels aan te rammen. Enkelen vallen ter plekke dood neer. Het kan de mannen niets schelen, voor hen zijn we geen mensen maar vanzelf opschietend waardeloos kruid.

We moeten in rijen naast elkaar staan. Het is koud, het jurkje dat ik aanheb stelt niets voor, ik kan er net zo goed naakt staan. Mijn benen waar krabwonden verschillende figuren op vormen knikken tegen elkaar aan. Eén van de mannen die ons gewekt heeft, loopt langs de rijen en trekt om de twee soms drie mensen -met kracht – iemand uit de rij.
Ik sluit mijn ogen en bid dat Zavri niet gekozen wordt. Niet tot God, want die kan niet bestaan. Het is meer hopen dan bidden, maar toch. Nog voor mezelf denk ik éérst aan hem. Ik weet zeker dat hij hetzelfde doet voor mij.
“Die daar! Het mormel is besmet.”
Het meisje waar ik tegenaan botste wordt uit de rij gehaald, ze is kleiner dan ik. Ze begint hard om haar moeder te gillen.
“Mana!”
Haar moeder stapt uit de rij en gooit zichzelf voor de voeten van de man.
“Spaar mijn kind! Neem mij”, gilt de vrouw machteloos.
Zonder ook maar één spiertje in zijn gezicht te bewegen, schiet de onmens haar door het hoofd neer. Haar levenloos lichaam klapt ineen. Het meisje krijst zo hard dat kippenvel mijn huid langsraast. Ik wil haar helpen, maar kan het niet. Ik moet kiezen en kies voor mezelf. Ik staar recht voor mij uit. Het vocht in mijn ogen maakt alles wazig. Ik zie alles niet vanuit mijn eigen perspectief noch van het perspectief dat mij opgedrongen wordt. Ik kies het donkerste plekje van de maan en gebruik dat als uitgangspunt om de beelden tot mij te nemen. Alleen zo kan ik het aanzien, alleen zo kan ik blijven bestaan zonder mijn familie de voetsporen in te volgen. “Ja, dat waren ze wel.”, brult één van de mannen. Ze krijgen orders om ons terug naar de barakken te sturen. Nog trillend van de kou, probeer ik Zavri tussen al de paniekerige mensen te vinden.

“Esri!”
Het is Zavri, hij komt op mij afgerend en omhelst mij vluchtig.
“Je mond, wat is er gebeurd? Hebben ze je geslagen? De honden!”
Ik was de knal alweer vergeten.
“Neen, ik ben gevallen toen ze ons naar buiten namen, waar is Nora?”, vraag ik meteen erachteraan, zijn medelijden ontwijkend.
“Ze is meegenomen Esri, ze is meegenomen.”
Mijn maag krimpt inéén als hij dit zegt.
“Zavri, het spijt me.”
Hij wrijft een paar keer in zijn ogen om zijn tranen te wissen.
“Laat me je mond eens zien.”, zegt hij terwijl hij mijn wangen in zijn handen neemt alsof ik zijn liefje ben.
“Het is niets, laat me maar.”, blaf ik.
Ik voel mij schuldig omdat mijn stem Nora smeekte te stoppen met treuren.
“Ze hebben weer veel mensen meegenomen.”, zegt hij.
“Ik weet het, ik ben blij dat jij er nog bent.”
“Ik ook.”

Zavri is moe, ik zie aan zijn hopeloze blik dat hij het wil opgeven. Hij heeft zich al twee dagen over mij en zijn zus ontfermd. Hij is net zo oud als ik en toch voel ik me veel kleiner dan hij. “Esri, laten we bij elkaar zitten, ik heb nog wat brood kunnen achterhouden. Dit kunnen onze laatste momenten samen zijn.” Hij pakt mijn hand vast en loopt naar een hoek van de barak.
Hoewel ik hem wil zeggen dat hij de moed niet opgeven mag, komen de woorden mijn mond niet uit. Mijn lippen doen verschrikkelijk pijn van de klap die ik gehad heb. We eten samen het brood op en blijven dan beiden stil voor ons uit staren. Er zijn geen woorden meer. Hij gaat liggen en sluit zijn ogen. De seconden sukkelen voorbij, ik kan niet slapen. Ik denk aan mijn moeder en vader, ik denk aan mijn momenten met Mila.
Mila was mijn kindermeisje. Ze noemde mij haar liefste kindje. We speelden samen op mijn kamer en kleurden de wolken naar ons eigen. Ik mis haar geluid. Ik mis mijn kinderlijke naïviteit bij het touwtje springen.

“Zavri.”, fluister ik, hopend dat hij niet slaapt.
“Ja.”
“Waar denk je aan.”
“Aan mijn huis en familie.” Zijn stem trilt.
Ik begin te huilen en probeer niet te luisteren naar het getreur van de anderen hier.
“Esri, niet huilen.”
“Laat mij toch! Ik wil weg hier! Ik wil niet meer, de luizen zullen niets overlaten van mij.”
“Kom hier, de jurk die je aanhebt zit er vol mee, trek haar uit.”
Bezorgd zoekt hij om zich heen naar iets dat mijn verwaarloosde lichaam bedekken kan. Hij pakt een stuk stof en scheurt er een ovaal gat in.
“Dit zal beter voelen.”, zegt hij terwijl hij het stuk stof over mijn hoofd heen trekt.
“Probeer nu te slapen Esri, wie weet wat morgen ons brengen zal.” Hij omhelst mij en slaakt een zucht.

Het kon geen slapen meer zijn. Hoe kun je nog slapen, wetend dat wanneer de dag aanbreekt, je adem nog enkel een pijngrens vasthoudt. Onderdanig moeten zijn aan anderen die walgen om wat je bent. Ik, als vrij geboren meisje. De laatste dag, ik weet nu dat het een illusie is. Vanaf het moment dat het bloed van mijn ouders geleidelijk mijn aders door stroomt, ben ik niet ongebonden geweest. Het liefst zou ik het figuur die dit verzinnebeeld verzonnen heeft, innig kussen en zo in vergetelheid raken. Ik heb geen mensen die voor mij opkomen, ik eet geen voedsel zoals jij en hij. Ik bloed niet, ik hoop niet, ik slaap niet, ik waak niet, ik huil niet. Ik ben niet vrij, ik ben geen bewoner van deze aarde, ik ben geen mens, ik ben geen meisje, ik ben geen kind van mijn moeder en vader. Ik ben een Jodin.


3 reacties

Ma3anne · 23 januari 2005 op 10:19

Je schrijft goed. Ik heb de eerste twee alinea’s gelezen en daar stopt het voor mij. De lappen zijn wat mij betreft echt te lang voor een beeldscherm.

Ik wens je veel lezers toe. Maar die vind je waarschijnlijk elders.

Kees Schilder · 23 januari 2005 op 10:51

Heel mooi.Talent zat.

Dees · 23 januari 2005 op 10:58

Ik kan me jouw eerdere schrijfsels (als je tenminste diezelfde Branka bent) nog herinneren en het verschil in techniek is er een van dag en nacht. Talent zit er zeker in!

Kijk alleen een klein beetje uit voor potsierlijkheid, ook in het construeren van zinnen is minder soms meer. Hoewel dat ook een kwestie van smaak is.

Geef een antwoord