In een klein lintdorpje onderin Twenterand hebben de bewoners het naar hun zin. Respectabele bejaarden paffen hun pijpje, vrienden proosten hun pilsje en kinderen worden gevoed met vele normen en waarden op het paplepeltje. Het hele dorp gaat harmonieus met elkaar om. Het hele dorp? Nou ja, de ouderen zitten wat in hun maag met het komende dorpstreffen: de allesbeslissende wedstrijd tussen de F’jes van Dos’37 en Deto, de topteams uit ditzelfde dorp. Vjenne. Gerrit kauwt stug door op de reepjes shoarma. Zijn bier staat binnen handbereik om de laatste klodders whiskeysaus weg te spoelen. Vanonder zijn wenkbrauwen houdt hij de jongen tegenover hem goed in de gaten. Wim is zijn beste vriend, maar vandaag even niet. Gerrit plukt een stukje groenvoer uit zijn vlees en schiet het naar Wim. Hij schrikt op. “Hé! Wat mot dat?”
“Willem, doe es hennig an, mien jong.”
“Hennig an, Gait? Rustig an? Flikker toch op, ik ben hartstikke opgefokt, homo.” Nog voor Willem al zijn zestien o’s van de seksuele geaardheid heeft uitgesproken, vliegt Gerrit hem aan. Onder het mom ‘creatief met kurk’ slaan ze elkaar de schedel in met plastic bordjes, tandenstokers en wat omringende stoelen. Eigenaar Gabor duikt van schrik onder de toonbank om hun ouders stiekem te bellen, maar dan springt Maria tussenbeide.

“Gait en Willem!” Door de woede van haar donderse stem galmt een kats mooi wijsje dat doet denken aan gemaaid gras in de ochtend, grootmoeders stamppot en sterren kijken vanuit een hooiberg. De beide heren staan plotseling stil. Gerrit laat zijn stoel zakken en Wim laat zijn mes vallen. In de stilte klatert het plastic op de betegelde vloer. “Jonks, hennig an noe. Wat mut Gabor wel nie van oe denken!” De mannen schrompelen ineen tot hun ware leeftijd van zestien onder de strenge blik van Maria, die al zo volwassen is met haar zeventien jaar. “Kom, Gait, Willem, wi-j geet op huus an. Ga naar oen’n broertjes en steun ze voor de wedstriid van morgen, in plaats van oe völle te loat’n loop’n bi-j de shoarmaboer.” Gerrit en Willem druipen af. De een naar het Oosteinde, de ander naar het Westeinde. Daar dromen ze beide van Maria.

“Mmm, Maria…” Gerrit kijkt door zijn zolderraam aan het Oosteinde naar de vele sterren aan de hemel. “Morgen moet kleine Peter echt gaan winnen. Als hij daar met zijn hele team vol trotse Deto’ers staat, terwijl hun rode clubshirtjes schitteren in de veel te grote beker, dan ga ik naar haar toe. Dan zal ze begrijpen dat ik haar naar net zulke grote hoogten kan brengen als mijn kleine broertje.”

Aan de andere kant van het dorp, aan het Westeinde, klopt Wim voorzichtig op de deur van zijn broertje. Na een zacht ja stapt hij binnen. “Hé kleine moat! Kun je nog wel een bettie slapen voor morg’n?” Werner schudt zijn hoofd. Wim stompt hem zacht tegen de schouder. “Ie kunt ’t wah, ‘ie bint een broertje van mi-j. Weet je nog, die grote beker op zolder? Die won ik met mien team toen ik zo oud was as oe. En ik weet zeker, dat ‘ie net zunne goeie spits bint as mij. Dus ga moar lekker slaap’n, wi-j geet er morg’n voor, ja toch?” Wim sluipt zachtjes naar buiten als Werner zich omdraait. “Ik hoop toch echt dat Maria net zoveel vertrouwen in mij heeft als ik in mijn broertje…”

Zaterdagmorgen om half 10 krioelen de rode en zwart-gele shirtjes door elkaar. Dos’37 en Deto zijn allebei ongeschonden door de voorgaande wedstrijden gekomen en hun eerdere treffen eindigde in een gelijkspel. Onder een luid “het is stil aan de overkant” scanderen de Westeinders de Oosteinders op sportveld Het Midden, waar beide teams hun basis hebben. Wim staat tussen alle ouders zijn broertje aan te moedigen: “Kom op, driet’nbuul! Haal ‘m onderuut!” Gerrit steunt zijn broertje aan de overkant van het veld, maar kan zijn ogen niet van Maria houden, die met haar diep uitgesneden topje en lange stevige benen voor beide teams applaudisseert. Ze werpt hem een steelse blik toe en juicht verder. Dan maakt Werner ineens de allesbeslissende doelpunt voor Dos’37. De scheidsrechter fluit de wedstrijd af en iedereen bestormt het veld. Gerrit rent naar Maria, maar Wim heeft al zijn armen om haar heengeslagen. Ze geeft hem drie kussen op de wang.

“Gait?” Kleine Peter veegt zijn neus af aan zijn rode shirtje en trekt hem aan zijn mouw. Gerrit neemt zijn kleine broertje in zijn armen. “Kom op jongen, ie hebt ’t prima gedaan. ’t Komt wel goud, mien jong.” Hij klopt zijn broertje op zijn rug en staat net op tijd op om te zien dat Maria en Wim samen naar de kleedkamers lopen. Zijn maag krimpt samen, zijn bloed racet door zijn aderen en Gerrit staat op. Onder het slaken van een luide kreet sprint hij op hen af. Wim en Maria slaan de kleedkamerdeur achter hun dicht en kruipen dicht tegen elkaar aan, terwijl de teleurgestelde supporters van Deto zich bij Gerrit voegen en met stenen de kleedkamerraampjes ingooien. De overgebleven F’jes staan bibberend en huilend van angst op de middenstip, de beker ligt in de modder en de boze ouders en supporters worden een voor een afgevoerd. Gerrit probeert zich te ontworstelen aan de sterke arm der wet. Hij vindt zijn broertje in de massa, maar wordt weer teruggesleurd naar de politiebus. Teneinde raad schreeuwt hij om zijn broertje, die nu nog harder huilt. Ineens houdt zijn gejank op. Maria slaat de armen om kleine Peter en troost hem. Gerrit kijkt nog eens rond. Wim troost zijn eigen broertje, Maria de zijne.

En zo kwam de voetbalwedstrijd toch weer goed. Werner en Wim poetsen nog elke dag de grote wisselbeker op de schoorsteenmantel. Gerrit en kleine Peter trainen harder dan ooit om volgend jaar de beker binnen te krijgen. En Maria? Daar blijven de beide heren over dromen, onder het genot van een milkshake voor hun broertjes en voor zichzelf een pilsje bij snackbar De Tamboer.


3 reacties

LouisP · 21 november 2009 op 21:36

N.
die titel alleen al…en de eerste alinea verplicht me bijna om verder te lezen..nou ja en verder ben ik zot op alle nederlandse dialecten. Behalve het Limburgs..
gr.
L.

KawaSutra · 23 november 2009 op 00:52

Best wel lastig om al die namen een plekje te geven. Ook het veelvuldig gebruik ervan maakt het verhaal niet rustiger. Meerdere personages gebruiken is prima maar gooi ze niet op een kluitje. Geef iedere relatie tussen personages de ruimte om uit te bouwen, en gooi niet iedereen te snel voor het voetlicht. Rust in je tekst en de mogelijkheid voor de lezer om zich te identificeren is belangrijk voordat je het echte verhaal wilt vertellen.

SIMBA · 23 november 2009 op 08:30

Het leest voor geen meter Neus met al dat dialect ertussen en al die namen. Maar ik vind het wel een leuk verhaal, kom maar op met deel2!

Geef een antwoord