Wat zie je?” vroeg de zigeunerin.
Verdwaasd staarde ik naar de met rode wijn gevulde karaf die voor me stond.
“Ik zie niets” loog ik.
“Ik zie helemaal niets.” Ze pakte de karaf van tafel en schonk onze glazen tot aan de randen vol.
Ze hief het hare, morste, prooste op het leven, zonder dat onze glazen elkaar aanraakten, en zette het terug zonder een slok te hebben genomen.

Als gehypnotiseerd keek ik naar de rode vlek op het witte tafelkleed.
Al snel werden de druppels wijn uitvergroot tot een vreemdsoortige vorm waarin ik alles dacht te zien waar ik liever niet aan wilde denken.

“Zie je al iets?” vroeg ze.
Ik knikte.
“Dan is het tijd voor mij om te gaan” besloot ze

Ze opende het raam en sprong. Moedige vrouw. Zij wist haar lot te dragen. Zij vroeg niet om een tweede kans. Zij kende haar zonden en was zelfs bereid daarvoor te boeten.

“Wat zie je?” vroeg ze opnieuw.
“Ik zie mijn dood” antwoordde ik.

Ik zag grijze sneeuw. Als ik mezelf er maar lang genoeg op focuste loste ik ergens op, temidden van die sneeuw, en even was ik bevrijd van de vlek, de zonde, mijn lot dat ik overal met me meedroeg.

Ik rilde. Voor me zag ik een open raam. Ik stond op en dacht erover om te springen, maar iets in mij weerhield me.

“De zonde zit in mij” zei ik.
“Welke zonde?” vroeg ze.
“Mijn leven. Mijn bestaan op zichzelf” antwoordde ik.

Ik dacht aan de dood. Ik dacht aan al mijn demonen die zich gemanifesteerd hadden in één simpele vlek. En ik dacht aan de zigeunerin. Aan haar gebroken schedel. Haar herfstbruine haar dat als een krans om haar gezicht heen lag. Een gezicht als een levenloos masker.

“Het is tijd voor je om te gaan” besloot ik.

Ijzig pakte ik de karaf van tafel en haalde ermee uit naar haar hoofd. Vlak voordat ik haar slaap raakte hield ik stil. Ze wilde gillen maar er kwam geen geluid uit haar mond. Doodsangst tekende haar ogen.

“Spring” legde ik haar op en wees naar het openstaande raam.
Ik grijnsde.

De vlek werd groter en groter, als een schotwond in smetteloze sneeuw. Ik kon niet anders. Dit was ik. Dit was de vlek; de zonde die ik al sinds de dag van mijn geboorte met me meedroeg.

Ze opende het raam en sprong. Moedige vrouw. Zij wist haar lot te dragen. Zij vroeg niet om een tweede kans. Zij kende haar zonden en was zelfs bereid daarvoor te boeten.

De vlek zou blijven voortbestaan. Ik wist het. Overal waar ik heenging zou ik het zien. Op straat. In winkels. Op televisies. En zelfs als ik sliep. De vlek was mijn lot. Mijn compagnon. Mijn duistere en enige bondgenoot.

“De zonde zit in mij” zei ik.
“Welke zonde?” vroeg ze.
Kijk naar de vlek, zei ik en wees naar het tafelkleed.

“Ik zie niets” loog ze.

“Ïk zie helemaal niets.”

Categorieën: Fictie

8 reacties

arta · 27 maart 2007 op 14:29

Wat mooi geschreven!
Kreeg het er even koud van!
🙂

KawaSutra · 27 maart 2007 op 16:34

Ik moest eigenlijk denken aan een surrealistisch schilderij. Van Hugo Claus meen ik. Niet qua inhoud maar zeker qua sfeer. Het blijft iets bijzonders, die hersenspinsels van jou.

pally · 27 maart 2007 op 21:34

Het is zeker een bijzonder verhaal,Troy, maar ik heb toch moeite met een zigeunerin die telkens uit het raam springt en dan opeens weer terug is en verder gaat met vragen stellen. :eh:

groet van pally

DreamOn · 27 maart 2007 op 22:26

Beklemmend…Ik hoop dat ik nog slaap vannacht.. 😉
Groetjes DO

goofy · 28 maart 2007 op 01:00

Nou, dat zit ingenieus in elkaar. Knap verhaal.
Stijl!

Ma3anne · 28 maart 2007 op 08:43

Jammer dat het cursief mislukt is door een verkeerde code, maar die denken we er gewoon bij.

Wonderbaarlijke scène weer, waarbij je als lezer diep in emotionele lagen van twee mensen kijkt en met angst om je hart hun gedachten volgt.

En dat in zo weinig woorden. Ontzettend knap geschreven.

KingArthur · 28 maart 2007 op 09:55

Magisch surrealistisch i.d.d. maar toch blijft het intrigeren.

Mosje · 28 maart 2007 op 14:39

Troy, ik zie dat je weer terug bent en schrijft. mooi, dan kom ik weer terug om te reageren.
Fraai stukje.

Geef een antwoord

Avatar plaatshouder