De klok van de grote kerk die even verderop in de straat stond had een paar minuten geleden vier keer geslagen. Vier uur. Verdorie, hij moest en zou nog even slapen. Morgen was een belangrijke dag. Dan kon Jordi met de E2 van D.I.O. kampioen worden. Nou ja, morgen… Het duurde hooguit nog een uurtje of 3. Dan zou de wekker aan zijn nuttige werkdag beginnen. Lang duurde die nooit. Hooguit een paar seconden. Dan zou hij net als alle andere dagen bruut naar de andere kant van het nachtkastje worden geslagen. Ontslagen, met harde hand. “Kijk nou toch uit! Stommerik! Hij loopt weg uit je rug, Jordi. Je moet kijken! Met je ogen! Die [i]doppies[/i] die links en rechts van je neus zitten. Zie je nou wel, nu ben je te laat!” Op het hobbelige, nog half bevroren voetbalveld van Trostoria renden 12 jongens op een kluitje achter een bal aan en stond er aan elke kant van het veld in het doel één te koukleumen. Achter de afrastering bij de dug-outs stonden opa’s, oma’s, papa’s, mama’s en ooms en tantes. Af en toe klonk er iets van een bescheiden aanmoediging als: “Hup Erik, je kan het.” Of: “Goed zo, Mark. Schop hem maar naar voren.” Aan de overkant van het veld stond een man die Jordi schijnbaar kende. Buiten zijn paraplu die achteloos in de grond was gestoken stond hij daar eenzaam. Een zwarte muts sierde zijn wat hoekige hoofd. Soms dook hij wat dieper in z’n kraag om even later weer druk gebarend en schreeuwend zich te focussen op Jordi. Jordi kon schijnbaar niet zo goed focussen als zijn vader. “Let nou eens op!! Je weet toch waar het om gaat. Ik wil die winnaarsmentaliteit zien.” Het was het decor van de wedstrijd Trostoria E1 tegen D.I.O. E2.

Op het scorebord stond bij het bordje ‘Trostoria’ een 4 en onder het bordje ‘Gasten’ hing een 0. Het kampioenschap was voor Jordi en zijn vriendjes verder weg dan ooit. Jordi zelf had zich ondertussen uit het strijdgewoel teruggetrokken en stond een paar meter verderop, de armen wat slungelig langs zijn lichaam. De man met de zwarte muts maakte intussen zulke wilde gebaren met zijn armen alsof hij op die manier Jordi in beweging hoopte te krijgen, maar het liet Jordi onberoerd. Plots viel de bal voor zijn voeten, nadat één van de spelertjes midden in de kluwen van rode en witte shirtjes de bal onbedoeld een trap had gegeven richting de zijkant van het veld. De man met de muts langs de lijn sprong op toen hij zag dat Jordi in balbezit kwam. “Ja-haaa!! En nu lopen. Naar dat doel toe. Meters maken!” Jordi leek even de bevelen op te volgen. Nu hij de vrijheid had bleek dat hij nog goed kon voetballen ook. Simpel speelde hij de bal telkens een stukje voor hem uit, zonder de controle te verliezen. Een paar spelertjes hadden zich ondertussen losgerukt uit het gewirwar op het middenveld en zetten de achtervolging in. “[i]Zelluf!![/i] Er is niemand bij je.” Schreeuwde de muts, bijna wanhopig, ondertussen zich richtend op de vriendjes van Jordi: “Hé [i]gassies[/i], zou je hem niet [i]effe[/i] gaan helpen? Willen jullie geen kampioen worden?” Een wat langere jongen kwam angstvallig snel dichterbij. Het keepertje wat een paar tellen geleden nog achter het doel zijn gezicht had mogen warmen in de met handschoenen beklede oude handen van zijn oma wist niet hoe snel hij zijn positie moest innemen. Middenin het doel, daar waar de leider die morgen nog zorgvuldig een streep had getrokken met de noppen van zijn voetbalschoenen. “Dit is het midden, Caspertje. Daar moet je altijd gaan staan,” hadden ze hem verteld. Als een rots in de branding stond hij daar, zijn gloednieuwe voetbalschoenen keurig naast elkaar op het weggeschraapte stukje gras. Snel spuugde hij nog een keer in zijn mooie grijze keepershandschoenen. Dat hoorde zo, wist hij. Jordi kwam steeds sneller dichterbij. De lange jongen ook. De stem van de man met de zwarte muts sloeg haast over. “Naar die goal, naar die goal!” brulde hij. Jordi hield in, kapte de bal plotsklaps naar rechts waardoor de lange jongen ineens een stuk voorsprong had maar met zijn rug naar Jordi stond. Snel probeerde hij zich om te draaien om op Jordi af te lopen, maar meteen kapte Jordi de bal naar het andere been. De lange jongen maakte nog een sliding, maar tastte compleet mis. Casper deed zijn armen wijd. De man met de muts begon al te juichen toen Jordi deed alsof hij wilde uithalen. Op het laatste moment besloot hij echter anders. De bal kreeg een zacht tikje waardoor Casper – stomverbaasd – het leer zo op kon rapen. De oerkreet die was ingezet door de man met de zwarte muts stokte. Jordi draaide zich om, keek zijn vader aan en schudde zachtjes met zijn hoofd.

“Ben je gek geworden ofzo?” schreeuwde de muts. “Zitten je schoenendozen nog om je voeten? Snap je dan niet waar het om gaat?” De woorden gleden langs Jordi heen. Hij hoorde ze wel, maar registreerde ze niet. “Hallo, ik sta hier ja!” De muts wond zich steeds verder op. “Je moest eens wat vaker luisteren naar me. Zo kom je er nooit.” Hoofdschuddend boog de muts het hoofd naar beneden, starend naar het gras voor de reclameborden. Eindelijk reageerde Jordi. “Hé!”riep hij, met zijn schelle stem. De muts keek. De arm van Jordi boog zich, zodat hij een vuist maakte richting zijn vader. De muts haalde al diep adem om hem van repliek te dienen toen Jordi de situatie nog erger maakte, dan hij al was. Zijn middelvinger ging omhoog en bleef een paar tellen fier overeind staan. Woest probeerde de muts over de afrastering heen te…..

Piep-piep-piep-piep-piep! Met een doffe klap werd de wekker uitgeslagen. Naast het bed stond Jordi. Het voetbalshirt al aan. “Kom je eruit, pap?! We kunnen kampioen worden! En jij zou rijden vandaag.” Brommend kwam hij overeind. Brabbelde iets als: “Ja, kampioen, ja. Rijden.” Zijn vrouw moest grinniken om het slaperige antwoord van haar man en gaf hem een por in zijn zij terwijl ze zachtjes in zijn oor fluisterde: “Ga maar snel mee. Hij heeft je nodig. Enne,.. moedig hem ook gewoon aan. Vergeet voor één keer dat schrikbeeld van je.”
Heel even bleef Jordi wachten tot hij zeker wist dat zijn vader aanstalten maakte om er uit te komen. Dat was nodig, want papa was nooit zo fanatiek om mee te gaan naar het voetballen. Zeker niet als ze zo vroeg weg moesten als vandaag. Toen hij er zich van overtuigd had dat de benen zich buiten het bed bevonden verliet hij gerustgesteld de slaapkamer. In de deuropening draaide hij zich nog een keer om. “Oh ja, papa. ‘Hup Jordi’ zeggen mag best een keer hoor. Dat is echt niet raar. Dat vind ik juist leuk.”

Kuin

Categorieën: Sport

2 reacties

arta · 13 maart 2011 op 10:46

Wat mooi neergezet, Kuin!
Pfft… Ik kan me voorstellen dat als je zelf zo’n vader hebt, je bij je kind zelfs niet meer durft te fluisteren langs de lijn…

De eerste alinea liep niet lekker…

Kuin · 18 maart 2011 op 09:55

Gelukkig had ik niet zo’n vader, Arta. Mijn vader was zelfs extreem van de andere kant. Ik ben tot mijn 18e actief geweest in het skeeleren en reed ook veel wedstrijden. Als ik na minstens tien trappen van anderen geïncasseerd te hebben in de laatste bocht voor de finish iets te ver naar buiten kwam waardoor diegene die mij getrapt had er niet voorbij kon en ik won ook nog, kreeg ik als eerste van mijn vader – als die al kwam kijken – te horen dat ik niet eerlijk had gewonnen. Al die trappen die ik kreeg vergat hij gemakshalve. :hammer:

Geef een antwoord

Avatar plaatshouder