Toen ze langs me liep met kort glijdende, langzame passen zuchtte ze even met daaronder een bijna onverstaanbare gegrom. Haar bruin krullende kapsel was uit model en een van haar borsten hing uit haar jurk; haar tepels verstijfd, maar zonder de uitnodiging om ze aan te raken. De gele IKEA tas sleepte ze met zich mee en soms stootte ze tegen een stelling, waar dan soms een vaas uitviel. Ze was daar niet de enige mee, want overal in de IKEA was af en toe het geluid te horen van iets dat viel, kapot ging of de trage passen en daarmee het gerinkel van scherven. Overal was het gekreun te horen, het gezucht als een necrofiel hoogtepunt, steeds maar weer. Sommige zombies waren onherkenbaar geworden. Hun huid blauw, grijs, ogen die bijna uitpuilden van verveling, maar niet Yolanthe. Ze liep langs me en raakte me even aan. Ongewild natuurlijk, ze had waarschijnlijk niet eens door dat er ook andere mensen om haar heen waren. Ze hield haar hoofd schuin en druppelde wat speeksel – of ander lichaamsvocht – vanuit haar mondhoeken, over haar kin, op haar bikini. Ik pakte mijn fototoestel om een foto te maken. Ze schrok niet van de lichtflits. Het mooiste van alles was dat ze haar glimlach had behouden op het moment dat het virus haar hersens had bereikt. En de make-up natuurlijk, want daardoor leek haar gezicht natuurlijker dan de anderen. Niet iedereen had het tenslotte in zich om er als een goede zombie uit te zien.

Het virus had vrijwel niemand eigenlijk verrast. Eerst waren een maar paar gevallen bekend, die meteen in quarantine werden gesteld. Daar onstonden nog wel een aantal discussies over, maar die werden al gauw verbannen naar radio programma’s die alleen op een zondagmiddag waren te horen. Toen het grotere vormen begon aan te nemen hadden een aantal schrijvers het nog over in ‘De Wereld Draait Door’, maar doordat een een of andere cabaratier grappen maakte kon iedereen er om lachen. Uiteindelijk was het een wereldwijde epidemie geworden – wat het al die tijd al was – maar toen was iedereen er al aan gewend geraakt. De quarantine was opgeheven, want het virus bleek erfelijk, niet besmettelijk en de gezonde mensen leefde of wel doodzwijgend naast de zombies of ze vertrokken naar plekken waar geen zombies waren.

Yolanthe liep het pad uit en botste tegen een andere zwervende zombie. Zo licht als ze waren vielen ze allebei en konden – arme schapen die ze waren – niet meer overeind komen. Ik liep om ze heen terwijl ze allebei nu duidelijk gromden en met hun armen in de lucht groeven op zoek naar een hand die hen overeind wilde trekken. Ik probeerde uit zoveel mogelijk hoeken foto’s te maken zodat er genoeg keuze was voor de verzamelaars en redacteuren.

Iemand tikte op mijn schouder en zo gewend als ik was aan de ondode lichamen wilde ik gelijk plaatsmaken. Een trio krioelende zombies zou misschien nog meer geld opleveren. Maar het was een IKEA medewerker. “Meneer, u mag geen foto’s maken hier.” Natuurlijk wist ik dat. Ik liet mijn toestel zakken. “Ja, ok, sorry.” En na een korte aarzeling. “Hebben jullie er nou veel last van?” Aan de andere kant van de afdeling kwam een hele familie binnen strompelen. “Valt wel mee. Het ergste is de troep die ze veroorzaken, maar afgezien daarvan zijn ze rustig.” “Maar ze kopen niets.” “Nee, maar daarvoor gebruiken we de subsidie van de gemeente.” Ze konden beter gecontroleerd worden als ze gecentraliseerd werden, zoals de minister-president destijds had uitgelegd. “Kan ik u ergens misschien mee helpen?” “Nee. Nou ja, hoe komt zij hier?” De medewerker was bezig om Yolanthe overeind te helpen. “Ze was hier bezig met een publiciteitsstunt toen ze ondood werd. Waarschijnlijk had ze er al langer last van. Een van mijn collega’s die haar een paar weken daarvoor had gezien zij toen al dat ze op een plastic pop leek.” Ze moesten allebei even lachen. “Blijft ze nu hier?” “Ja, ze is nog niet opgehaald. We denken dat haar hele familie en vriendenkring … we hebben ze in ieder geval niet gezien.” Uit beleefdheid vroeg ik hoe ik zo snel mogelijk bij de keukenafdeling kon komen.

Bij de kassa’s liepen ze in kluwen vast. Voetje voor voetje liepen ze langs de lege kassa’s naar de uitgang, hoewel velen zich automatisch naar de ingang begaven en lusteloos op de roltrap stonden met hun blik op uiteindig. Ze zouden dezelfde ronde maken. Een aantal medewerkers probeerden ze van de supermarkt te weren. Twee kassa’s waren open voor betalende bezoekers. Er stond een kleine rij en door problemen met het PIN-apparaat met een man voor me ontstond er een kort oponthoud. De rij in de kassa naast ons kwam niet verder. Een aantal zombies waren gevallen en kwamen niet meer overeind. Onder de hoop maaiende armen en benen verscheen er een plas donkerrood bloed, groenig slijm vermengd met iets geligs. Het meisje achter de kassa riep gehaast wat door de microfoon, maar duidelijk verstaanbaar door het speakersysteem. Snel kwamen er een aantal jongens aanrennen die onmiddelijk de zombies uit elkaar trokken en overeind hielpen. Bijna dankbaar knikkend liepen ze meteen weg van de plek. Op de grond lag een man zachtjes te schokken. Uit zijn buik gulpte stromen bloed en maagsappen en de linkerkant van zijn hoofd was in elkaar gedeukt. Hij werd op een kar gelegd en snel weggereden. Daarna werden de vlekken van de vloer snel weggeveegd en een horde ondoden schuifelden er vervolgens zonder doel weer overheen. “Meneer, meneer, waar zijn uw spullen?”, vroeg het meisje achter de kassa. Maar, behalve de grom die ik gaf, liep ik door zonder haar te beantwoorden. Ik strompelde naar de uitgang, waar die dan ook mocht zijn.


2 reacties

arta · 5 december 2008 op 15:33

Een doodgewone koopzondag in de IKEA. 😀
Bijzonder stuk!

SIMBA · 5 december 2008 op 17:15

Apart, intrigerend en goed leesbaar.

Geef een antwoord