Rolstoelman

Het is het bruin cafe. Overheersende geur van bier en zweet. Onderdrukte vermoeidheid en pijntjes. Voortbewegen verloopt over het glas van gevallen glazen en gebroken harten. Het is er net groot genoeg voor een optreden met een kleine honderd man publiek. Het is druk maar we staan goed. Niet te ver en niet te dichtbij.

Koeien

Het prikkeldraad was onderbroken. De doorgang naar verkoelend water was vrij. Het was warm. Een kleine dertig graden. Al met al was het een logisch tafereel. Koeien in de sloot. Met z’n tweeën. Water tot aan de knieën. Het leek me aangenaam. Als koe. Even had ik de neiging hun uitdrukking als dom te bestempelen. Koeien die dom voor zich uitkijken. Maar koeien zijn relatief intelligente dieren herinnerde ik mij. Net op tijd. Ik had het ergens gelezen. Iemand had het onderzocht.

Uitje

Het was rond half zeven; we wisten dat de zaal om half acht open was; even over achten zou het beginnen. Dat was ons tijdschema. Eerst eten, bij voorkeur met enige privacy. In het eerste het beste restaurant hadden we een afgeschermd tafeltje bij het raam gevonden. De hap Grieks van buiten de kaart hadden we snel soldaat gemaakt.

Voetbal

Het dak was open. Het was fris. Met mijn handen diep in de zakken en mijn kin in de kraag van mijn jas probeerde ik in te schatten wanneer de zon mij zou bereiken. Rij 21, stoel 250. Het zou nog wel even duren. Naast mij zat een jongen. Ik kende hem niet. Hij was zeven schat ik. Tussen mij en zijn vader in was hij in afwachting van wat er zou komen. Het jack goed dicht en de rood witte sjaal om de hals. Hij was beter op de kou voorbereid dan ik. Jong en ontvankelijk voor goed advies. Hij wel.

Droomprins

Ik ken een verhaal. Van een meisje van halverwege de twintig. Niet mooi, niet lelijk. Uiterlijk onaangedaan. Een enigszins verbaasde blik op haar gelaat. Totale rust. Gewassen. Haren gekamd. Ingesmeerd tegen het doorliggen. Intraveneus gevoed. Via naalden, slangen en vochtzakken. Aanraakbaar maar onbereikbaar. Levend onder glas. Sneeuwwitje gelijk.