Stille getuige

Eindelijk weekend! Een vrolijke jonge knul met een walkman bungelend aan zijn broekriem stapt ritmisch op de maat van zijn favoriete muziek door de straten van Amsterdam. Het werk is gedaan. Nog enkele uren verwijderd van het weerzien met zijn vriendin. Hij heeft haar echt gemist. Zojuist heeft hij haar nog een sms-je gestuurd: “Schat, ik kom er aan!”

De Schreeuw

Een verstikkende atmosfeer hangt als een zware deken over het landschap. Een dreigende stilte voor de storm. Af en toe verstoord door een ritselend blad in een laatste zucht der natuur. Een vogel zoekt een veilig heenkomen en strijkt neer in de kalende kruin van een vermoeide boom. De grillige takken nemen zijn versteende profiel in zich op.

Geblokkeerd

Het zat er al aan te komen. De postbode bij ons in de wijk rijdt sinds enkele weken met een aanhanger achter zijn fiets. Iedere ochtend doet hij mijn adres als eerste aan om zijn vracht te lossen. Zodra ik hem zie komen duik ik weg achter een gordijn en zie hoe hij met een verbeten trek om zijn mond de oprit oprijdt. Met priemende ogen richt hij zijn norse blik door het zijraam en zoekt een slachtoffer om zijn ergernis op te projecteren.

Sail away

Behendig laveer ik mijn Kawa tussen het drukke stadsverkeer door. Hier en daar links of rechts inhalend zoals het in Amsterdam gewoon is. Ik voel me als een vis in het water. Bij stoplichten wurm ik mij naar voren. Zodra groen licht dan maak ik een reis in de tijd. Wie net nog medeweggebruiker was is nu geschiedenis; slechts een stipje in mijn achteruitkijkspiegels.

Betoverd

Haar make-up doos ligt geopend op tafel. Bedachtzaam pakt ze de juiste kleur. Ze reikt haar hand richting mijn gezicht en zorgvuldig kleurt ze mijn lippen rood. Haar lippen bewegen mee alsof ze haar eigen spiegelbeeld voor zich ziet. Als versteend sta ik voor haar en onderga gelaten de betovering die zich binnen nog geen half uur heeft voltrokken.

Gerijpt

In 1984 kreeg ik hem in handen. Waarschijnlijk na afloop van een kerstborrel of iets dergelijks. Ik weet het niet eens meer; zo lang geleden. En al die tijd heeft hij me niet los kunnen laten. Ik was helemaal geen kenner op dat gebied maar de vormgeving stond me wel aan. “Je moet toch ergens mee beginnen”, dacht ik toen, “wil je na verloop van tijd kunnen zeggen: wie wat bewaart die heeft wat.”

Pijn

In het midden van de zaal zie ik het witte silhouet van een mensenlichaam.
Vreemd om zo neer te kijken op iets wat niet meer bij je hoort. Als een jas heb ik het uitgetrokken; als een harnas ervaren. Het is nooit van mij geweest. Ik heb het geprobeerd. Geprobeerd om me er in thuis te voelen. Het voelde altijd vreemd aan; iets dat ik niet was. Maar, wie was ik?

Gebroken

Klokslag negen uur in de avond ontgrendel ik de deur; het lage tarief is ingegaan. Ik ben nog niet binnen of achter mij wordt alweer een nieuwe vracht aangeleverd, daarmee de ingang volledig blokkerend. Op de tast zoek ik de lichtknop maar het aanflitsende licht kan mij nauwelijks bereiken; het wordt volledig aan het zicht onttrokken door de bonte verzameling die vanaf mijn zelf gesponnen draden naar beneden hangt. Ik zit gevangen, gevangen in mijn eigen web.

Zonnewind

Zweetdruppels parelen op mijn voorhoofd. Af en toe vloeit er één schoksgewijs langs een ooghoek via de hals en komt op mijn borst tot stilstand. Een plukje haar voor mijn ogen lijkt een vrijbrief te zijn voor het zoute vocht om te prikken. De koperen ploert opent mijn poriën met zijn brandende stralen. Mijn lichaam absorbeert ze als een drooggevallen spons en geeft ze weer af als dauw in de morgenstond.

Dakloos

Vanmorgen reed ik er weer langs, vlak bij mij in de straat. Het stond er leeg en verlaten bij. Troosteloos bijna. Wachtend op nieuwe bewoners. De meeste mensen die er komen zijn snel weer vertrokken. Het is eigenlijk meer een doorgangshuis voor passanten. ’s Morgens vroeg al komen de eersten aan. Na een korte groet of wat gemompel stellen ze zich op en turen naar het begin van de straat, soms ongeduldig op hun horloge kijkend. Als het mooi weer is spreiden ze zich uit in de directe omgeving, bij slecht weer staan ze opeengepakt bij elkaar als in een wassenbeeldenmuseum.

Vol is vol !

Met moeite kunnen we een parkeerplaats vinden. “Het is best nog een eind lopen”, weet mijn vrouw te vertellen, “zal wel moeilijk zijn om weer bij de auto terug te komen als het eenmaal gebeurd is.” “Nou, dat zien we dan wel weer”, antwoord ik haar, “misschien kunnen we de auto voorrijden.” Lopend over de Blauwe Brug zie ik het statige pand weerspiegelen in Het Galgewater. Toepasselijke naam, denk ik bij mezelf, en direct zakt het bijpassende gevoel in mijn benen.