Ik zie (geen) blauw!
Roep lang genoeg en met genoeg mensen dat gras blauw is en je wordt geloofd.
Roep lang genoeg en met genoeg mensen dat gras blauw is en je wordt geloofd.
Ik staar in een loop. Een man met een satanische blik in zijn ogen houdt het wapen strak op mij gericht. Exact tussen mijn ogen. Een lichte trilling bij zijn mondhoek, een verbeten blik en een vinger die zich spant. Ondanks het nachtelijke uur verschijnt plotseling de zon in zijn volle glorie. De wereld explodeert voor mijn ogen en valt in kleurrijke scherven uiteen.
Twee maanden later en meer dan honderd euro armer. Stapels manuscripten verlieten mijn huis en Teej-peej-geej bood spontaan aan een brievenbus in mijn voortuin te planten. Maar vandaag is het dan zover. Tijd om een fles wijn open te trekken.
‘Lieveling,’ fluistert ze in mijn oor. Haar tong strijkt langs mijn oorlel en onwillekeurig ril ik van verrukking. Dit gaat fout. Ik staar naar de gesloten deur achter haar. Ik moet haar kwijt. Mijn verstand gilt dat ik haar hardhandig het hotel uit moet gooien. Ze strijkt door mijn haar en ik staar in haar wijd geopende pupillen. Ze zoent me. Haar tong dwingt mijn lippen uit elkaar. Het begint bij mij te kriebelen, mijn bloed begint te koken en dat kleine stemmetje in mij dat roept dat ik moet vluchten, rennen voor mijn leven, wordt alsmaar kleiner en kleiner en zachter. Onze tongen vinden elkaar en beginnen een wilde balts. Ik laat alle remmen los, streel met beide handen de rondingen van haar billen en we verliezen ons in wilde passie.
Ik stap uit de metro en wring mij via brede, overvolle stenen trappen naar beneden. Onder het station bevinden zich enkele winkeltjes, efficiënt in het talud weggewerkt. Ik spits mijn oren. Een indringend gepiep wringt zich via mijn oren mijn schedel in. Brandalarm! Ik kijk nerveus om mij heen. Welke kant moet ik opvluchten? Nergens is rook te zien, laat staan vlammen. Nog niet.