Ik vind je lief
“Ik vind je lief”. Zwijgzaam staar ik voor me uit. Ik kan geen letter meer schrijven zonder vlekken te maken. Ik vind niemand lief. Ik vind mezelf niet eens lief. Misschien wil ik het te graag. Niets is zo verneukeratief als iets te graag willen. Gefrustreerd verkreukel ik het papier en kaats het tegen de muur. Het papier kaatst terug en valt pardoes in de vissenkom. Vis schrikt op en werkt zich een weg omhoog in de hoop dat hij eindelijk eens meer te
eten krijgt dan zes doorweekte snippers vissenvoer. Vis wil ook te veel. Hij moet het maar doen met die zes snippers. Net zoals ik het moet doen met vier woorden die ik maar aan één iemand kwijt wil. En laat dat nou net degene zijn die deze woorden allerminst wil horen.
