Ik vind je lief

“Ik vind je lief”. Zwijgzaam staar ik voor me uit. Ik kan geen letter meer schrijven zonder vlekken te maken. Ik vind niemand lief. Ik vind mezelf niet eens lief. Misschien wil ik het te graag. Niets is zo verneukeratief als iets te graag willen. Gefrustreerd verkreukel ik het papier en kaats het tegen de muur. Het papier kaatst terug en valt pardoes in de vissenkom. Vis schrikt op en werkt zich een weg omhoog in de hoop dat hij eindelijk eens meer te
eten krijgt dan zes doorweekte snippers vissenvoer. Vis wil ook te veel. Hij moet het maar doen met die zes snippers. Net zoals ik het moet doen met vier woorden die ik maar aan één iemand kwijt wil. En laat dat nou net degene zijn die deze woorden allerminst wil horen.

R.I.P. Troy

“Memorabel”, is het enige woord dat recht doet aan het moment toen onze gangen elkaar kruisten. Het was vrijdagnacht en de straten waren bevlekt met duistere poëzie. De oude binnenstad als mantel van vertier, vroeg om meer namen, om meer zielen, om meer gezelschap. Het duurde dan ook niet lang voor ik in mijn eenzame wandeltocht vergezeld zou worden door deze bizarre geest.

Vooroordelen: het mes er in!

Discriminatie op grond van seksuele geaardheid komt helaas nog iedere dag voor. Laten we het voor de verandering eens niet al te dicht bij huis zoeken. Ik beloof dat ik niet zal preken en dat ik zeker niet moralistisch zal zijn. Ik ga gewoon eens simpelweg de feiten op onze keurig gedekte tafels serveren.

De walging

Het café van de dood was een illustere plaats. Het moest de enige plek op aarde zijn waar geen loze beloftes werden gemaakt en waar niemand nog teerde op ego’s, winstbejag, ambities en lust. Het was een wachthaven van verloren zielen, waarvan sommigen hun best hadden gedaan om van hun aardse bestaan meer te maken dan drie zuchten en een wind, en waarvan sommigen al sinds de dag van hun geboorte alleen nog maar konden wachten tot de contouren van het heilige licht eindelijk zouden worden verduisterd door de silhouet van de man met de zeis.