Meneer Boon schept op

Het is tijd voor het avondeten. Misschien ligt het aan de tijd van het jaar maar ik heb geen trek. Ik ben moe, ik heb een lange dag gehad en het laatste waar ik me mee bezig wil houden is de gedachte aan eten. Op mijn bord ligt welgeteld één groene boon. Het liefst zou ik meneer Boon en zijn familie –die zich nog in de pan bevinden – terstond door het toilet spoelen zonder er ook maar een gedachte aan te verspillen, maar het ding blijft me maar aanstaren alsof het erom smeekt om door mij begrepen te worden. Wie heeft er ooit een boon willen begrijpen? Misschien verlies ik mijn verstand, maar iets in mij dwingt me om me te concentreren op wie meneer Boon precies is.

Laatste akte

Je blijft het herhalen. Keer op keer. “Stop, terugspoelen, nieuwe poging”. Wat te denken van een andere acteur? Iemand die weet hoe hij zijn zinnen uit moet spreken zonder terug te vallen op dezelfde stemtechnieken.

Atefeh

Atefeh was zestien jaar oud, afkomstig uit de stad Neka in het noorden van Iran. Ze stond bekend als een levendig en intelligent meisje, maar na de dood van haar moeder raakte ze in geestesnood en werd ze meedere malen gediagnostiseerd tot diverse geestesziektes. Behalve haar aan heroine verslaafde vader en broer was er niemand meer om voor haar te zorgen en Atefeh stond er zo goed als alleen voor.

Transformatie

Het gezicht raakt het glas en herinneringen komen omhoog in de leegte van twee verdwaalde ogen. Opnieuw is ze iets kwijt en opnieuw is het nergens meer te vinden. Het gezicht in de spiegel is verworden tot het gezicht van iemand die haar nooit gekend lijkt te hebben. Ze hoort niet wat ze zegt, ze begrijp niet wat ze denkt. Het is uitputtend, om iets te proberen te verstaan vanuit een taal die ze nooit heeft leren spreken. Waar is de liefde, waar bevindt zich het hart, waar heeft het einde zich zo krachtig afgetekend waar het begin nog niet eens was begonnen?

De sleuteldrager

Ik weet niet beter dan dit. Dat ogen dienen om te zien en dat benen fungeren om me mee voort te bewegen. Dat de sleuteldrager de macht heeft om een voordeur te openen en dat de dakloze gedoemd is om op straat te leven. Ik heb een sleutel en ik heb een kartonnen doos. Maar mijn sleutel ben ik kwijt en mijn kartonnen doos is gevuld met smurrie en troep.