Escapisme

Als verlamd zat ik tegenover hem. Ik had nog steeds een probleem en hij zou me daarmee helpen.
Ik geloofde er niet meer in.
Ik heb heimwee, zei ik.
Aanmoedigend knikte hij me toe. Het werkte. Hij wist hoe ik hechtte aan gebaren.
Ik mis.
Ik mis. Ik mis. Ik mis.
Wat mis je? Vroeg hij.
Ik huilde. Mijn wereld is zo vervormd. Het werkt niet meer. Het gaat gewoon niet.

Taboe en spelen

Voor de zoveelste keer stak hij zijn kop in de emmer stront die hij zelf had volgescheten.
Dus je hebt al die tijd gelogen, zei ik. Er klonk woede in mijn stem, maar afgezien daarvan voelde ik vooral een diepe verachting. Zijn ogen stonden in een modus die zich ergens tussen vluchten of aanvallen leek te bevinden. Echt, als je me nog even zo aankijkt zweer ik je dat ik je kop eraf ruk, beet ik hem toe.

Wiegelied

Jouw tranen verdwijnen
Wang tegen wang
Zijdezacht, geworteld
Hier, in warme aarde
Jouw voeten naast de mijne
Stil maar, het komt goed

18:1 – 19:38

De eenzaamsten dat zijn wij. Wij die begeerte dragen. Wij die door de mazen van het net zien en weten hoe het is om te moeten schikken in het feit dat hetgeen we aanschouwen nooit deelgenoot van ons zal worden.

Jij en ik. Wij zijn de werkelijke poëten. En alles wat we kunnen doen is pogen. Om tenminste te proberen om dat wat we voelen in een woord, een schets, of een conceptie te vangen.

Wolf en woorden

Het is laat in de nacht. Naast mijn kussen ligt het boek dat me heeft geleid naar de vuurtoren. Op de achterzijde van de kaft staart de foto van de schrijfster mij met een blik van lichte spot en fijnzinnige intelligentie doordringend aan.